Sculder & Mully
Sculder's & Mully's GO's en DON'T's
It's All About Love
Regie: Thomas Vinterberg.
Met: Joaquin Phoenix, Claire Danes, Sean Penn, Douglas Henshall.
Vanaf 8 januari in de bioscopen.

In een nabije toekomst vallen New Yorkers dood neer op straat omdat ze liefde tekort komen, de complete bevolking van Oeganda stijgt op van de grond en een nieuwe ijstijd kondigt zich aan. Tegen die achtergrond maken we kennis met John (Joaquin Phoenix, de acteur met het enige echte Kootensiaanse snotgootje) en zijn toekomstige ex-vrouw Elena (Claire Danes), een wereldberoemde schaatster die het slachtoffer dreigt te worden van een complot waarbij klonen haar plaats moeten innemen. Dat klinkt allemaal wat mallotig, en dat is het ook; de overstap naar Hollywood heeft ‘Festen’-regisseur Thomas Vinterberg zichtbaar geen goed gedaan. Alsof hij het gevoel van de Europese kunstfilm heeft willen overbrengen op het doorgaans rigide Amerikaanse publiek, maar vergeten is dat daar meer voor nodig is dan lachwekkende symboliek en een zwalkend plot, dat door Phoenix en co wordt vertolkt alsof ze zélf ook niet helemaal wisten wat die malle Deen nou van ze wilde. Tel daarbij op dat de scènes met Sean Penn (die zo te zien beter raad wist met zijn schaarse tekst) uit een andere film lijken te zijn geript, en het doet allemaal het ergste vrezen voor Vinterbergs toekomstige carrière, overzee althans.
Het is te begrijpen dat Vinterberg geen ‘Festen Part 2’ wilde maken, maar tegelijk met de Dogma-principes heeft hij ook het plot én de geloofwaardigheid bij het grof vuil gezet. En vooral dat laatste is een doodzonde: twee uur lang willen we maar niet betrokken raken bij het lot van John en Elena, dat vanaf de eerste scène vaststaat (“Ik ga u nu vertellen over de laatste zeven dagen van mijn leven”). 'It's all about love’, die ellende die we over onszelf uitroepen, wil Vinterberg ons vertellen, nee, toeschreeuwen; maar wat zegt het eigenlijk als ook liefde uiteindelijk niet in staat blijkt om de wereld van de ondergang te redden? Dat u er beter aan doet uw tijd te verdoen met een fijne geweldsfilm, ‘Kill Bill’ of zo. Sculder en Mully zeggen derhalve: DON'T!
Lord of The Rings III: The Return Of The King
Regie: Peter Jackson.
Met: Elijah Wood, Viggo Mortensen, Ian McKellen, Sean Astin, Liv Tyler en nog zo’n duizend anderen.
Vanaf 17 december in de bioscopen

A-dem-be-ne-mend. En niets minder. ‘The Return Of The King’, het derde en laatste deel van Peter Jackons ‘Lord Of The Rings'-trilogie, is in alles de overtreffende trap van de twee voorgaande delen: met zijn drieënhalf uur het de langste van de drie, we krijgen de moeder van alle veldslagen voor de kiezen, de special effects zijn zó fantastisch dat niet te zien is waar realiteit ophoudt en de CGI begint (het is dat we wéten dat Gollem en die reuzenolifanten uit de computer komen), en het übermonster dat Frodo tegenover zich krijgt zorgt voor één van de best getimede schrikeffecten die wij in lange tijd zagen. Vergeleken met ‘The Return Of The King’ lijkt ‘The Fellowship Of The Ring’ dan ook niet meer dan een bescheiden introductie. Maar het allerbelangrijkste is dat Jackson binnen al dat (visueel) geweld nooit uit het oog verliest waar het uiteindelijk om gaat; ‘The Return Of The King’ is een rit in een achtbaan, maar dan wel een waarbij het wagentje op elk moment in een akelige diepte kan storten. Het Kwaad dringt op momenten zo voelbaar de zaal binnen dat het je bijkans naar de strot grijpt. Nergens wordt dat mooier duidelijk dan in de scène waarin Frodo eindelijk met de ring de top van Mount Doom bereikt: zonder al te veel te verklappen kunnen we zeggen dat dátgene dreigt te gebeuren waar we al die tijd al bang voor waren.
Zware morele dilemma’s worden afgewisseld met humoristische intermezzo’s, massale veldslagen met klein persoonlijk leed en onvervalst entertainment met de zware thema’s uit Tolkiens werk; Jackson balanceert op het slappe koord tussen al die uitersten en komt er weer goed mee weg, maar wat had u dan verwacht? Dit genie is gewoonweg niet in staat om een dergelijk levenswerk in de finale alsnog om zeep te helpen. En ja, ook de door sommige ongeduldige kijkertjes als veel te lang ervaren epiloog, geheel conform het boek, zaten we ontroerd uit (Sculder kreeg zelfs last van zijn contactlenzen); het is als uitbuiken na een goede en overvloedige maaltijd.
Sculder en Mully zeggen: GO!!!
PS1 Onlangs kondigde Jackson aan ook ‘The Hobbit’ te willen gaan verfilmen zodra alle rechten rond zijn (of alle ronden recht). Zeer benieuwd hoe hij ‘Return Of The King’ wil gaan overtreffen of zelfs maar evenaren…
PS2 Waarschijnlijk hebben we gewoon te veel Peter Jackson-films gezien, maar we zijn ervan overtuigd dat er voor die legeraanvoerder van de Orks nog een maskertje over was uit ‘Bad Taste’…
Live Forever
Regie: John Dower
Met: Damon Albarn, Jarvis Cocker, Kwik en Flupke Gallagher.
Vanaf 4 december in de bioscopen

Liam Gallagher, onderuitgezakt in zijn stoel, zonnebril op zijn ongeschoren smoel, springt op als een bosje vlooien wanneer de interviewer hem vraagt of hij zich bewust is van zijn androgyniteit. Dat blijkt een moeilijk woord voor de Oasis-zanger. “Wat? Wie is er hier een wijf?!” En even lijkt het alsof hij de interviewer naar de strot wil vliegen. Het is een hilarische hoogtepunt uit de documentaire ‘Live Forever’, die de opkomst en ondergang van het fenomeen Britpop belicht. Dat wordt gedaan aan de hand van onder meer de opkomst van New Labour en Tony Blair, een ontwikkeling die niet geheel toevallig gepaard ging met een nieuw elan in de Britse popmuziek. Engeland kon weer trots zijn op zijn sterren (die veelal uit de arbeidersklasse kwamen en dus ‘echt’ waren) en een dikke middelvinger opsteken naar Amerika. Grunge was dood, leve Britpop!
Een aantal vaandeldragers van die stroming, zoals Damon Albarn (Blur), Jarvis Cocker (Pulp), Louise Wener (Sleeper) en Liam en Noel Gallagher kijken terug op die periode van heftige roem en media-aandacht, zoals de opgeklopte vete tussen Blur en Oasis, en de ‘annexatie’ van Britpop door Blair. En wat hebben de sterren te zeggen? Albarn is een verlegen jongen, die teleurgesteld is in New Labour en liefst niet terugkijkt op wat is geweest, en Wener zet als enige vrouw en relatieve buitenstaander in het gezelschap de zaken in perspectief. Liam Gallagher is nog steeds de stonede proleet die we kennen van eerdere interviews, maar broer Noel blijkt een stuk genuanceerder, intelligenter én grappiger dan we van hem gewend waren, en beschikt over de nodige zelfrelativering, met name waar het zijn gecultiveerde arbeidersachtergrond betreft. Maar de beste oneliners komen -en dat verbaast ons helemaal niks- op het conto van Jarvis Cocker: “Voordat het hele Britpop-gebeuren was je als arbeidersjongen gewoon een ‘piece of turd’, en plots was je een ‘piece of turd’ in het centrum van de belangstelling.”
De afloop kennen we: zoals ook de ster van Blair inmiddels al lang verbleekt is, zo is ook de trotse Britse muziekscene verworden tot een smakeloze prut van voorgekookte boys- en girlsbands. Aan het slot van de docu uit Noel Gallagher zijn verwondering over het fenomeen S Club 7 Junior en het kinderpubliek dat daar bij hoort; aan het woord is een dertiger die (net als wij overigens) geen jota van de huidige Britse muziekcultuur snapt. ‘Live Forever’ is als tijdsbeeld van de jaren ’90 niet strikt voor liefhebbers van Britpop, hoewel het natuurlijk wel mooi meegenomen is. Regisseur John Dower kon voor zijn docu gelukkig over de nodige muziek- en beeldfragmenten van de betrokken acts beschikken, zodat er zachtjes meegezongen en -getapt kan worden. GO!
PS Wil iemand svp de vertaler, die ‘matchbox’ als ‘bierviltje’, ‘Pop Idol’ als ‘Pop Idle’ en ‘Beetlebum’ als ‘Bettlebum’ ondertiteld heeft, een schop onder de luie kont geven? Dank u.
Kill Bill
Regie: Quentin Tarantino.
Met: Uma Thurman, Lucy Liu, Vivica A. Fox, Sonny Chiba.
Vanaf 20 november in de bioscopen.

Vanaf het allereerste moment, als hoofdrolspeelster Uma Thurman door zware verwondingen op het punt van sterven ligt, staat vast dat 'Kill Bill' een bloederige film gaat worden. Wat heet, het bloed spat zelfs tegen de camera aan, bijna in het gezicht van de kijker, en door middel van extreme close-ups wordt een uiterst leerzaam, anatomisch correct kijkje gegund in de hoofden van enkele slachtoffers, wanneer deze doorboord worden door kogels en zwaarden. Hoewel de eerste 'Kill Bill'-film (de volgende aflevering van dit tweeluik komt volgend jaar in de bioscopen) voor het grootste gedeelte een martial arts-vechtfilm van de bovenste plank is, worden de Tarantino-fans niet teleurgesteld, zeker niet in de eerste 35 minuten. Zelfs in die korte tijd is de volgorde van scènes niet chronologisch, maar dat zijn we na 'Reservoir Dogs', 'Pulp Fiction' en 'Jackie Brown' inmiddels wel gewend. Oplettende kijkertjes kunnen ook een aantal directe verwijzingen naar die eerdere films verwachten. De personages, de dialogen, de absurde wendingen en de oneliners ("I’m Buck and I’m here to fuck") zijn koren op de molen voor Tarantino-adepten.
We volgen Uma Thurman alias The Bride, vanaf haar moeizame herstel van de eerder genoemde verwondingen, op haar wraaktocht naar de daders. De hoofdverdachte is haar ex-geliefde, de mysterieuze Bill (cult-acteur David Carradine, die in deze eerste 'Kill Bill'-film helaas nauwelijks in beeld komt). Wel zien we het adembenemende huis-, tuin- en keukengevecht met Vernita Green (Vivica Fox, Janet uit The Fresh Prince of Bel-Air), en het zwaardgevecht met O-Ren Ishii (Lucy Liu, bekend van de recente Charlie’s Angels-films). Als The Bride/Thurman richting Japan vertrekt om de strijd aan te gaan met deze O-Ren Ishii, verandert de film van tempo. De grandioze zwaardgevechten, die het grootste deel van de film in beslag nemen, kennen een wat trage aanloop, waarin The Bride het hoofdkwartier van de bende van O-Ren Ishii binnendringt. Maar deze langdradige scène wordt goedgemaakt door de muzikale omlijsting van de Japanse meidenband 5.6.7.8’s, die fijn op de achtergrond staat te woo-hooen. Maar waarom duikt in godsnaam die enge panfluit van Gheorghe Zamfir telkens weer op, en wat doen die soul- en discostampers bij die sierlijke zwaardgevechten? De choreografie van de zwaardgevechten is daarentegen oogverblindend, en met respect voor de Aziatische cinema (NB: Thurman draagt exact dezelfde outfit als Bruce Lee in zijn laatste film) wordt er een breed scala aan genres bewandeld; Tarantino schakelt moeiteloos over op zwart/wit, wellicht als een ode aan oude samoeraifilms van Aki Kurosawa, en vervolgens op een videoclipachtige stijl, wanneer alleen de silhouetten van de zwaardvechters te zien zijn. En zo zijn er meer vreemde momenten: er is zelfs een bijna tien minuten durend manga-gedeelte, en waarom wordt de werkelijke naam van The Bride telkens weggepiept? Zowel Tarantino als Thurman zetten topprestaties neer, en we hebben dan ook maar één dringend advies: GO GO GO!!!
lees verder »
1/2