Jodocus de Barbaar: Een prinses ontsnapt - Marq van Broekhoven


Jodocus is de sukkel van het dorp: klein van stuk komt de jonge barbaar net met zijn neus boven de rand van de bar uit, raakschieten met pijl en boog ligt niet in zijn vermogen. Als zijn ouders door zijn onhandigheid hun veestapel kwijtraken aan het dorpshoofd, vlucht hij uit schaamte het bos in. Ondertussen ontsnapt prinses Yazine uit het kasteel van koning Azaroth, die haar gevangen houdt in een torenkamertje. Al tijden correspondeert ze met prins Folio. Ze hoopt haar geliefde bij de waterval te treffen, zodat ze hem voor het eerst in de armen kan sluiten. Als ze daar kennismaakt met onze barbaar, denkt ze dat hij Folio is. Jodocus laat haar graag in die waan. Ondertussen trekt Folio eropuit om zijn prinsesje te gaan bevrijden, stuurt de koning zijn leger op pad om zijn dochter terug te vinden en wordt het dorp waaruit Jodocus is verbannen opgeschrikt door een geheimzinnig geluid.
Prinses met ballen
Van Broekhovens held mag dan een sukkel zijn, de andere personages zijn niet veel intelligenter dan Jodocus. Van Broekhoven schetst een vreemd universum, met barbaren, prinsen, koningen en magiërs en neemt met zijn strip een loopje met de conventies van het Sword & Sorcery-genre. Maar ook een sprookjesconventie als de prinses die gevangen wordt gehouden in de kasteeltoren, wordt in een bizar daglicht gesteld, als Yazine hint naar een incestueuze relatie met haar vader. Door de wol geverfd, is de soms vlijmscherpe Yazine geen prinsesje om zonder handschoenen aan te raken. Deze dame wacht niet tot de prins haar redt, maar bevrijdt zichzelf wel.
Purno de purno
De oorsprong van Jodocus ligt bij een hoorspel dat Van Broekhoven met een vriend maakte voor een radiopiraat. Jodocus was een tegenhanger van Conan de Barbaar, maar dan met een stemgeluid dat het meest in de richting kwam van Purno de Purno. Uiterlijk heeft hij nog het meeste weg van een speelgoedversie van Rambo.
In een interview vertelde Van Broekhoven mij dat dit de strip is die hij al jaren wilde tekenen. Het plezier van het strip maken straalt dan ook van de pagina's af en werkt bij deze lezer enthousiasmerend.
Van Broekhoven hanteert een losse narratieve structuur: de scènes draaien vooral om droge, soms wat flauwe, soms wat ondeugende grappen. Qua humor op en top Marq van Broekhoven dus, de stripmaker die jarenlang Plint de Plintkabouter tekende. Van Broekhoven speelt met de scèneovergangen, waar hij vaak tekstrijm en soms beeldrijm voor gebruikt. Wel spijtig dat de stripmaker de chronologie op een gegeven moment een beetje kwijtraakt: hij snijdt heen en weer tussen dag- en nachtscènes die duidelijk tegelijkertijd spelen.
Strip 2000
Jodocus de Barbaar: Een prinses ontsnapt is in 2010 als vervolgstrip is voorgepubliceerd in de Eppo. Het album wordt echter niet uitgegeven door de Don Lawrence Collection, maar door Strip 2000. Een jonge uitgeverij die zich vooral richt op humorstrips. Plunk en Tom Carbon worden ook door Strip 2000 op de markt gebracht. Binnenkort mogen we er ook een album van Jeroen Funke verwachten en het derde deel van Van Broekhovens autobiografische reeks Marq Denkt.
Op dit moment is Van Broekhoven druk bezig met het tweede avontuur van Jodocus: De blauwe wijven. Ik ben benieuwd!
Marq van Broekhoven - Jodocus de Barbaar #1: Een prinses ontsnapt
Strip 2000, €8,95

Afgelopen dinsdag 17 januari 2012 ontving NRC-tekenaar Siegfried Woldhek
de Inktspotprijs 2011 in Nieuwspoort in Den Haag - maar wie goede ogen en
een goed geheugen heeft, moet zijn opgevallen dat zijn winnende portret van
staatssecretaris Bleker een andere versie is dan die destijds in het NRC
verscheen. Staan de reglementen van Nederland’s grootste prijs voor
cartoonisten toe dat inzendingen voor de competitie worden aangepast?
We leggen het voor aan Hans IJsselstein Mulder, directeur van de Stichting Pers & Prent en organisator van de Inktspotprijs, die bevestigt dat dit inderdaad is toegestaan. ‘Het kwam in het verleden wel vaker voor dat inzendingen mooier werden gemaakt nadat ze gepubliceerd waren. Sommige inzendingen die bijvoorbeeld in zwart/wit in de krant verschenen zijn, zijn later ingekleurd voor deelname aan de Inktspotprijs. Andere tekeningen die op klein formaat in de krant stonden, werden opgeblazen, dat levert ook een ander effect op. Zolang het geen compleet andere tekening is, doen we daar niet moeilijk over. En in Woldheks geval bleef het idee hetzelfde: Bleker die het laatste bloempje in de natuur vertrapt. Het enige verschil is dat hij lacht op de NRC-tekening en boos kijkt op degene die voor inzending is gebruikt.’ Dat er twee tekeningen zijn, wist hij, zo vult hij aan, ‘maar het verschil is zo klein dat veel kranten de NRC-tekening bij hun artikel over de Inktspotprijs hebben geplaatst, zonder te zien dat deze anders is dan het portret dat gewonnen heeft.’
Toch is Zone 5300 niet de enige die het opviel: ook op NU.nl plaatste een internetgebruiker beide tekeningen, vergezeld van het commentaar ‘Zoek de verschillen’ (reactie nummer 12). Maar belangrijker is natuurlijk de vraag of álle Inktspotprijs-deelnemers op de hoogte waren van de mogelijkheid om hun inzending te verfraaien. Runner-up Ruben L. Oppenheimer in elk geval niet, zo laat hij desgewenst weten. Oppenheimer wil vooropstellen dat hij zijn collega Woldhek, ‘die al bij de krant tekende toen ik nog in de wieg lag en al zolang ik leef op deze prijs heeft moeten wachten’ de overwinning van harte gunt, maar dat hij wel zeer verbaasd was toen hij met de twee versies van de tekening werd geconfronteerd. ‘Want ik heb eerlijk gezegd nooit gehoord, gelezen of begrepen dat tekeningen na publicatie nog veranderd mogen worden. Het enige dat ik begrepen heb, is dat de tekening in een krant of tijdschrift gepubliceerd moet zijn, ik lever mijn tekeningen dan ook al jaren ongewijzigd in, zoals ze oorspronkelijk zijn gepubliceerd.’ Hij vindt het daarnaast maar de vraag of de tekening grotendeels hetzelfde is gebleven. ‘In de oorspronkelijke tekening vind ik de gelijkenis met Bleker minder geslaagd dan in de tweede versie die in de prijzen viel.’ Wat hij in dit geval erg pijnlijk vindt, is dat er volgens de juryvoorzitster gekozen moest worden tussen de inhoud - zijn tekening - en de kunstzinnigheid - Woldheks tekening. ‘De vraag kan gesteld worden of de jury op basis van het oorspronkelijke portret wel tot dezelfde conclusie zou zijn gekomen. Als ik mij aan een uitspraak moet wagen, zou ik concluderen dat het ingediende portret intenser en mooier is uitgewerkt dan het gepubliceerde.’
Of Oppenheimer gelijk heeft met zijn conclusie mag u zelf bepalen. Buiten kijf staat echter dat de reglementen en condities waarop de inzendingen getoetst worden blijkbaar duidelijker geformuleerd én gecommuniceerd moeten worden als niet alle deelnemers ervan op de hoogte zijn. De hoofdrolspeler in deze geschiedenis, winnaar Siegfried Woldhek, is vooralsnog helaas niet bereikbaar voor commentaar. Wordt vervolgd?
UPDATE: Winnaar Siegfried Woldhek kon door drukte niet eerder reageren, maar liet ons vanmorgen, op maandag 23 januari, zijn antwoord weten: 'Ik vind in het algemeen, en dus ook voor deze prijs, dat het goed is om heldere reglementen te hebben en die te communiceren.'
We leggen het voor aan Hans IJsselstein Mulder, directeur van de Stichting Pers & Prent en organisator van de Inktspotprijs, die bevestigt dat dit inderdaad is toegestaan. ‘Het kwam in het verleden wel vaker voor dat inzendingen mooier werden gemaakt nadat ze gepubliceerd waren. Sommige inzendingen die bijvoorbeeld in zwart/wit in de krant verschenen zijn, zijn later ingekleurd voor deelname aan de Inktspotprijs. Andere tekeningen die op klein formaat in de krant stonden, werden opgeblazen, dat levert ook een ander effect op. Zolang het geen compleet andere tekening is, doen we daar niet moeilijk over. En in Woldheks geval bleef het idee hetzelfde: Bleker die het laatste bloempje in de natuur vertrapt. Het enige verschil is dat hij lacht op de NRC-tekening en boos kijkt op degene die voor inzending is gebruikt.’ Dat er twee tekeningen zijn, wist hij, zo vult hij aan, ‘maar het verschil is zo klein dat veel kranten de NRC-tekening bij hun artikel over de Inktspotprijs hebben geplaatst, zonder te zien dat deze anders is dan het portret dat gewonnen heeft.’
Toch is Zone 5300 niet de enige die het opviel: ook op NU.nl plaatste een internetgebruiker beide tekeningen, vergezeld van het commentaar ‘Zoek de verschillen’ (reactie nummer 12). Maar belangrijker is natuurlijk de vraag of álle Inktspotprijs-deelnemers op de hoogte waren van de mogelijkheid om hun inzending te verfraaien. Runner-up Ruben L. Oppenheimer in elk geval niet, zo laat hij desgewenst weten. Oppenheimer wil vooropstellen dat hij zijn collega Woldhek, ‘die al bij de krant tekende toen ik nog in de wieg lag en al zolang ik leef op deze prijs heeft moeten wachten’ de overwinning van harte gunt, maar dat hij wel zeer verbaasd was toen hij met de twee versies van de tekening werd geconfronteerd. ‘Want ik heb eerlijk gezegd nooit gehoord, gelezen of begrepen dat tekeningen na publicatie nog veranderd mogen worden. Het enige dat ik begrepen heb, is dat de tekening in een krant of tijdschrift gepubliceerd moet zijn, ik lever mijn tekeningen dan ook al jaren ongewijzigd in, zoals ze oorspronkelijk zijn gepubliceerd.’ Hij vindt het daarnaast maar de vraag of de tekening grotendeels hetzelfde is gebleven. ‘In de oorspronkelijke tekening vind ik de gelijkenis met Bleker minder geslaagd dan in de tweede versie die in de prijzen viel.’ Wat hij in dit geval erg pijnlijk vindt, is dat er volgens de juryvoorzitster gekozen moest worden tussen de inhoud - zijn tekening - en de kunstzinnigheid - Woldheks tekening. ‘De vraag kan gesteld worden of de jury op basis van het oorspronkelijke portret wel tot dezelfde conclusie zou zijn gekomen. Als ik mij aan een uitspraak moet wagen, zou ik concluderen dat het ingediende portret intenser en mooier is uitgewerkt dan het gepubliceerde.’
Of Oppenheimer gelijk heeft met zijn conclusie mag u zelf bepalen. Buiten kijf staat echter dat de reglementen en condities waarop de inzendingen getoetst worden blijkbaar duidelijker geformuleerd én gecommuniceerd moeten worden als niet alle deelnemers ervan op de hoogte zijn. De hoofdrolspeler in deze geschiedenis, winnaar Siegfried Woldhek, is vooralsnog helaas niet bereikbaar voor commentaar. Wordt vervolgd?
UPDATE: Winnaar Siegfried Woldhek kon door drukte niet eerder reageren, maar liet ons vanmorgen, op maandag 23 januari, zijn antwoord weten: 'Ik vind in het algemeen, en dus ook voor deze prijs, dat het goed is om heldere reglementen te hebben en die te communiceren.'

Wat Wij Moeten Weten - Willy Linthout
Deel 1: Solden in Griekenland - Deel 2: De ingreep (De Bezige Bij/Oog & Blik)

In 2007 en de daaropvolgende jaren gooide Willy Linthout hoge ogen met
zijn stripreeks Het jaar van de olifant. Onder deze titel vertelde
hij het gefictionaliseerde relaas van hoe hij en zijn omgeving omgingen met
de zelfmoord van zijn zoon Sam. De reeks Wat wij moeten weten is in
zekere zin een spin-off van Het jaar van de olifant.
Willy’s alter ego, Karel, duikt ook in deze stripreeks
op.
Wat wij moeten weten draait echter meer rond de moeder en de twee broers van Karel. We krijgen dus een inkijkje in de ruimere familiecirkel van Karel Germonprez. “Moedre” leeft samen met haar zoon Valère in een stil en rustig Vlaams dorp. In de eerste twee delen van de stripreeks wordt er vooral op hen gefocust. Valère is een jonkman die nog steeds bij de steeds meer met haar gezondheid sukkelende Moedre inwoont. Linthout weet de relatie tussen de twee zeer scherp te beschrijven. Valère en Moedre lopen dag in dag uit op elkaar te kankeren, maar onderhuids broedt een duidelijke liefde voor en afhankelijkheid van elkaar. Broer Roger is gelukkig getrouwd en komt semiwekelijks over de vloer bij Moedre, alwaar hij zich te goed doet aan een sloot of twee alcohol. Dat alcoholgebruik lijkt zich te ontwikkelen als een tweede verhaallijn in de strip.
Chronologisch gezien speelt deze strip zich af voor en tijdens Het jaar van de olifant en handelt hij eveneens over de repercussies daarvan. In Wat wij moeten weten wordt er echter meer ingezoomd op wat dat met Moedre en de rest van de familie doet. Linthout schetst in deze strip het simpele dorpsleven dat mij persoonlijk zeer bekend voorkomt: blijven plakken in dorpscafés, argwaan tegenover “De grote stad”, de bakker die aan huis komt leveren, … Het feit dat dat gevoel van herkenning bij mij in zo’n grote mate aanwezig was bewijst dat Linthout zijn tableau op voortreffelijke wijze weet te scheppen. Mensen die De helaasheid der dingen gelezen of gezien hebben zullen eveneens enkele thematische gelijkaardigheden ontdekken. Denk nu niet dat deze strip een doorslag is van De helaasheid… Het verhaal dat Linthout vertelt is van een totaal andere orde en bovendien heeft niemand het monopolie op het kleindorpelijke drama. Wat het meeste opvalt aan de strip en waar ik het meeste van genoten heb is het surrealisme dat Linthout, meer nog dan in Het jaar van de olifant in het verhaal binnensmokkelt. Zo is Valère een onverbeterlijke knutselaar die de zotste gebruiksvoorwerpen in elkaar flanst. Ik wil niets verklappen maar hetgeen hij uitvindt om Moedre uit zijn persoonlijke lade te houden heeft hilarische gevolgen.
Ook een goede vondst is het regeltje tekst waarmee Linthout elk hoofdstuk afsluit. Dit is meestal een droge, puur praktische en beschrijvende zin die op komische wijze iets over het gehele stripverhaal zegt. Linthout hanteert voor deze strip dezelfde stijl als voor Het jaar van de olifant en presenteert ons zijn afgewerkte potloodschetsen. Deze zet verhoogt de geloofwaardigheid van het verhaal want hoewel hij op dezelfde cartooneske manier als voor zijn Urbanusstrips tekent is het juist dat rauwe en onafgewerkte dat de gebeurtenissen realistischer doet overkomen. Wat wij moeten weten verenigt het komische met het tragische en weet op beide vlakken de juiste noten te raken. In principe weet Linthout de humor, de setting, de stijl en de thematiek van Het jaar van de olifant en de Urbanusreeks te vermengen met elkaar. En tot nog toe pakt die mayonaise zeer goed.
Wat wij moeten weten draait echter meer rond de moeder en de twee broers van Karel. We krijgen dus een inkijkje in de ruimere familiecirkel van Karel Germonprez. “Moedre” leeft samen met haar zoon Valère in een stil en rustig Vlaams dorp. In de eerste twee delen van de stripreeks wordt er vooral op hen gefocust. Valère is een jonkman die nog steeds bij de steeds meer met haar gezondheid sukkelende Moedre inwoont. Linthout weet de relatie tussen de twee zeer scherp te beschrijven. Valère en Moedre lopen dag in dag uit op elkaar te kankeren, maar onderhuids broedt een duidelijke liefde voor en afhankelijkheid van elkaar. Broer Roger is gelukkig getrouwd en komt semiwekelijks over de vloer bij Moedre, alwaar hij zich te goed doet aan een sloot of twee alcohol. Dat alcoholgebruik lijkt zich te ontwikkelen als een tweede verhaallijn in de strip.
Chronologisch gezien speelt deze strip zich af voor en tijdens Het jaar van de olifant en handelt hij eveneens over de repercussies daarvan. In Wat wij moeten weten wordt er echter meer ingezoomd op wat dat met Moedre en de rest van de familie doet. Linthout schetst in deze strip het simpele dorpsleven dat mij persoonlijk zeer bekend voorkomt: blijven plakken in dorpscafés, argwaan tegenover “De grote stad”, de bakker die aan huis komt leveren, … Het feit dat dat gevoel van herkenning bij mij in zo’n grote mate aanwezig was bewijst dat Linthout zijn tableau op voortreffelijke wijze weet te scheppen. Mensen die De helaasheid der dingen gelezen of gezien hebben zullen eveneens enkele thematische gelijkaardigheden ontdekken. Denk nu niet dat deze strip een doorslag is van De helaasheid… Het verhaal dat Linthout vertelt is van een totaal andere orde en bovendien heeft niemand het monopolie op het kleindorpelijke drama. Wat het meeste opvalt aan de strip en waar ik het meeste van genoten heb is het surrealisme dat Linthout, meer nog dan in Het jaar van de olifant in het verhaal binnensmokkelt. Zo is Valère een onverbeterlijke knutselaar die de zotste gebruiksvoorwerpen in elkaar flanst. Ik wil niets verklappen maar hetgeen hij uitvindt om Moedre uit zijn persoonlijke lade te houden heeft hilarische gevolgen.
Ook een goede vondst is het regeltje tekst waarmee Linthout elk hoofdstuk afsluit. Dit is meestal een droge, puur praktische en beschrijvende zin die op komische wijze iets over het gehele stripverhaal zegt. Linthout hanteert voor deze strip dezelfde stijl als voor Het jaar van de olifant en presenteert ons zijn afgewerkte potloodschetsen. Deze zet verhoogt de geloofwaardigheid van het verhaal want hoewel hij op dezelfde cartooneske manier als voor zijn Urbanusstrips tekent is het juist dat rauwe en onafgewerkte dat de gebeurtenissen realistischer doet overkomen. Wat wij moeten weten verenigt het komische met het tragische en weet op beide vlakken de juiste noten te raken. In principe weet Linthout de humor, de setting, de stijl en de thematiek van Het jaar van de olifant en de Urbanusreeks te vermengen met elkaar. En tot nog toe pakt die mayonaise zeer goed.

...en The Pignose Willy’s komen ook!

Op maandag 23 januari zijn in het Theater van 't Woord, op de bovenste
etage van de OBA, twee
gerenommeerde stripmakers te gast: winnaar van de Marten Toonder Prijs
Peter Pontiac en Judith Vanistendael. Zij worden
geïnterviewd door vaste OBA Literaire Salon-moderator Judith
Uyterlinde en Zone 5300-hoofdredacteur Tonio van Vugt. In het
Theater heeft tevens de Nederlandse presentatie plaats van Judith
Vanistendaels nieuwe boek
Toen David zijn stem verloor. Bovendien is er in de OBA vanaf
zaterdag 7 januari tot en met 31 maart 2012 een overzichtstentoonstelling
van Peter Pontiac te zien. De muzikale omlijsting van deze OBA Literaire
Salon is op Pontiacs verzoek in handen van de undergroundtrashband The
Pignose Willy’s. De ‘Stilte’-bordjes kunnen ze in de
OBA dan wel uit het raam flikkeren.
Normale prijs voor dit evenement is 15 euro, houders van een OBA- of stadspas en abonnees van BOEK of Esta betalen 7,50 euro.
Zone 5300 geeft vijf keer twee kaartjes weg!
Ja, dat leest u goed: i.s.m. met de OBA geven wij vijf keer twee kaartjes weg Alles wat u hoeft te doen is ons vóór zaterdag 21 januari 12.00 uur een mailtje te sturen met als subject 'OBA Pontiac’ en vermelding van uw volledige naam en adres. Prijswinnaars krijgen per direct bericht. Tot de 23e!
Normale prijs voor dit evenement is 15 euro, houders van een OBA- of stadspas en abonnees van BOEK of Esta betalen 7,50 euro.
Zone 5300 geeft vijf keer twee kaartjes weg!
Ja, dat leest u goed: i.s.m. met de OBA geven wij vijf keer twee kaartjes weg Alles wat u hoeft te doen is ons vóór zaterdag 21 januari 12.00 uur een mailtje te sturen met als subject 'OBA Pontiac’ en vermelding van uw volledige naam en adres. Prijswinnaars krijgen per direct bericht. Tot de 23e!

Overzichtstentoonstelling Han Hoogerbrugge in TENT

In februari en maart 2012 presenteert TENT een omvangrijke
solotentoonstelling van de Rotterdamse kunstenaar Han Hoogerbrugge.
La Grande Fête des Voyeurs is het eerste overzicht van zijn
werk.
De overzichtstentoonstelling van Hoogerbrugge is een goede reden om toch naar de Maasstad af te reizen. Ik volg zijn werk al een paar jaar, sinds ik hem uitgebreid sprak voor de VPRO Gids. Later spraken we elkaar nog voor Het Parool over zijn webproject Pro Stress 2.0, waar hij dagelijks een webcomic publiceert.
Al bijna vijftien jaar tekent Hoogerbrugge zijn alter ego, een einzelgänger in zwart pak die met (zwarte) humor de wereld om zich heen beziet. In 2011 was zijn animatie Quatrosopus te zien in het Deens paviljoen op de Biënnale van Venetië. De animatiegame FLX is onlangs verworven door Stedelijk Museum Amsterdam. Ook draaide Hoogerbrugge's korte animatiefilm Overlast als voorfilm in de bioscoop vorig jaar. De film was onderdeel van het programma Ultrakort.
Grensoverschrijdend
Hoogerbrugge is uitgegroeid tot een prominent voorbeeld van een hedendaagse crossmediale kunstenaarspraktijk, waarin de grenzen tussen virtueel en reëel, tussen droom en nachtmerrie, tussen high en low art, niet bestaan. Met grote regelmaat zijn de tekeningen en animaties van Hoogerbrugge te zien op festivals, popconcerten, in kranten en magazines, maar ook in musea, expositieruimtes en galeries.
In La Grande Fête des Voyeurs transformeert TENT tot het universum van kunstenaar. Diaprojecties, tekeningen, videomonitoren en projecties tonen werk van de afgelopen vijftien jaar, van het pioniersstadium waarin Hoogerbrugge met eenvoudige computerprogrammatuur bewegende animaties maakte, tot de verfijnde computertechniek die het publiek in beweging brengt om de Hoogerbrugge-games te spelen.
Twistgesprek
Momenteel werkt Hoogerbrugge aan een nieuwe video-installatie waarin de verschillende personages uit zijn comics met elkaar in een visueel twistgesprek worden gebracht. De video-installatie gaat op de opening van de tentoonstelling in première.
TENT is een platform voor 100% hedendaagse kunst dat zijn wortels heeft in Rotterdam. TENT richt zich via haar uiteenlopende programmering op relevante ontwikkelingen binnen de hedendaagse kunst, waarbij er speciale aandacht is voor actuele thematiek. Sinds 2008 programmeert TENT solotentoonstellingen van beeldbepalende Rotterdamse kunstenaars, gericht op het bekendmaken van het werk aan een breder publiek. TENT presenteerde solotentoonstellingen van Wendelien van Oldenborgh, Katarina Zdjelar en Lara Almarcegui.
TENT
Witte de Withstraat 50
3012 BR Rotterdam
De overzichtstentoonstelling van Hoogerbrugge is een goede reden om toch naar de Maasstad af te reizen. Ik volg zijn werk al een paar jaar, sinds ik hem uitgebreid sprak voor de VPRO Gids. Later spraken we elkaar nog voor Het Parool over zijn webproject Pro Stress 2.0, waar hij dagelijks een webcomic publiceert.
Al bijna vijftien jaar tekent Hoogerbrugge zijn alter ego, een einzelgänger in zwart pak die met (zwarte) humor de wereld om zich heen beziet. In 2011 was zijn animatie Quatrosopus te zien in het Deens paviljoen op de Biënnale van Venetië. De animatiegame FLX is onlangs verworven door Stedelijk Museum Amsterdam. Ook draaide Hoogerbrugge's korte animatiefilm Overlast als voorfilm in de bioscoop vorig jaar. De film was onderdeel van het programma Ultrakort.
Grensoverschrijdend
Hoogerbrugge is uitgegroeid tot een prominent voorbeeld van een hedendaagse crossmediale kunstenaarspraktijk, waarin de grenzen tussen virtueel en reëel, tussen droom en nachtmerrie, tussen high en low art, niet bestaan. Met grote regelmaat zijn de tekeningen en animaties van Hoogerbrugge te zien op festivals, popconcerten, in kranten en magazines, maar ook in musea, expositieruimtes en galeries.
In La Grande Fête des Voyeurs transformeert TENT tot het universum van kunstenaar. Diaprojecties, tekeningen, videomonitoren en projecties tonen werk van de afgelopen vijftien jaar, van het pioniersstadium waarin Hoogerbrugge met eenvoudige computerprogrammatuur bewegende animaties maakte, tot de verfijnde computertechniek die het publiek in beweging brengt om de Hoogerbrugge-games te spelen.
Twistgesprek
Momenteel werkt Hoogerbrugge aan een nieuwe video-installatie waarin de verschillende personages uit zijn comics met elkaar in een visueel twistgesprek worden gebracht. De video-installatie gaat op de opening van de tentoonstelling in première.
TENT is een platform voor 100% hedendaagse kunst dat zijn wortels heeft in Rotterdam. TENT richt zich via haar uiteenlopende programmering op relevante ontwikkelingen binnen de hedendaagse kunst, waarbij er speciale aandacht is voor actuele thematiek. Sinds 2008 programmeert TENT solotentoonstellingen van beeldbepalende Rotterdamse kunstenaars, gericht op het bekendmaken van het werk aan een breder publiek. TENT presenteerde solotentoonstellingen van Wendelien van Oldenborgh, Katarina Zdjelar en Lara Almarcegui.
TENT
Witte de Withstraat 50
3012 BR Rotterdam
Murphy’s Miserable Space Adventures - Charlotte Dumortier
(Oogachtend)

Charlotte Dumortier studeerde dit jaar af aan Sint-Lukas Brussel, in de
vakgroep striptekenen. Als masterproef maakte ze zeven boekjes met korte
gags over een eenzame ruimtevaarder die ze Murphy doopte. Johan Stuyck, die
lesgeeft op Sint-Lukas, vond die boekjes zo goed dat hij haar voorstelde om
ze uit te geven bij Oogachtend. Maar wat vinden wij daarvan?
Wel, eerst en vooral is dit een boek voor mensen die graag kijken. Normale gagstrips hebben een vrij strikte structuur: een zelfde aantal prentjes, steeds dezelfde lay-out of opbouw. De strips van Dumortier dienden als masterproef en daarvoor worden de studenten aangespoord om al hun kunsten te etaleren. Een gevolg daarvan is dat Dumortier loos gaat met lay-out, ritme, inkleuring en dergelijke meer. Gevolg daarvan is dat geen enkele gag of pagina dezelfde is. Dat had een warboel kunnen worden, ware het niet dat Dumortier het effect van de verschillen tussen de gags weet te breken door het tussenvoegen van op zichzelf staande, meestal paginagrote tekeningen. Die fungeren als een soort van rustpunt en herbergen soms een grap op zichzelf. Ze weet die prenten ook inhoud te geven door erin te verwijzen naar eerdere of nog komende gags en ook dat werkt de cohesie van het boek in de hand.
De avonturen van Murphy eindigen steeds op dezelfde manier: de dood van de (anti)held. Dat moet aan de ene kant een enorme steun geweest zijn bij het maken van de strips omdat men op die manier toch enige scenariële houvast heeft, maar aan de andere kant kan dat uiteraard ook leiden tot herhaling en autoplagiaat. Dumortier weet die valstrikken zeer goed te ontwijken. Murphy verzon een gigantisch scala aan levenseindes die vrijwel allemaal even grappig als onverwacht aankomen. De tekeningen zijn van een hoog niveau en doen zeer poppy aan. Zonder Dumortier op hetzelfde niveau te willen zetten, ze staat nu eenmaal nog maar aan het begin van haar carrière, zou ik haar toch in dezelfde map klasseren als een John Kricfalusi of een minder gedetailleerd tekenende Paul Pope. Dumortier abstraheert veel meer dan die laatste maar qua feel vind ik haar vergelijkbaar.
Liefhebbers van strips als Hägar De Verschrikkelijke zijn waarschijnlijk aan het foute adres bij deze strip omdat al de vormexperimenten de traditionele lezer misschien wat zullen afschrikken, maar eenieder met een open geest en wat kloten aan zijn of haar lijf zal zich door de aanschaf van deze strip geen buil vallen.
Meer recensies van Peter kunt u lezen op zijn blog.
Wel, eerst en vooral is dit een boek voor mensen die graag kijken. Normale gagstrips hebben een vrij strikte structuur: een zelfde aantal prentjes, steeds dezelfde lay-out of opbouw. De strips van Dumortier dienden als masterproef en daarvoor worden de studenten aangespoord om al hun kunsten te etaleren. Een gevolg daarvan is dat Dumortier loos gaat met lay-out, ritme, inkleuring en dergelijke meer. Gevolg daarvan is dat geen enkele gag of pagina dezelfde is. Dat had een warboel kunnen worden, ware het niet dat Dumortier het effect van de verschillen tussen de gags weet te breken door het tussenvoegen van op zichzelf staande, meestal paginagrote tekeningen. Die fungeren als een soort van rustpunt en herbergen soms een grap op zichzelf. Ze weet die prenten ook inhoud te geven door erin te verwijzen naar eerdere of nog komende gags en ook dat werkt de cohesie van het boek in de hand.
De avonturen van Murphy eindigen steeds op dezelfde manier: de dood van de (anti)held. Dat moet aan de ene kant een enorme steun geweest zijn bij het maken van de strips omdat men op die manier toch enige scenariële houvast heeft, maar aan de andere kant kan dat uiteraard ook leiden tot herhaling en autoplagiaat. Dumortier weet die valstrikken zeer goed te ontwijken. Murphy verzon een gigantisch scala aan levenseindes die vrijwel allemaal even grappig als onverwacht aankomen. De tekeningen zijn van een hoog niveau en doen zeer poppy aan. Zonder Dumortier op hetzelfde niveau te willen zetten, ze staat nu eenmaal nog maar aan het begin van haar carrière, zou ik haar toch in dezelfde map klasseren als een John Kricfalusi of een minder gedetailleerd tekenende Paul Pope. Dumortier abstraheert veel meer dan die laatste maar qua feel vind ik haar vergelijkbaar.
Liefhebbers van strips als Hägar De Verschrikkelijke zijn waarschijnlijk aan het foute adres bij deze strip omdat al de vormexperimenten de traditionele lezer misschien wat zullen afschrikken, maar eenieder met een open geest en wat kloten aan zijn of haar lijf zal zich door de aanschaf van deze strip geen buil vallen.
Meer recensies van Peter kunt u lezen op zijn blog.

Mezek - André Juillard & Yann
(Le Lombard / Collectie Getekend)

De collectie Getekend van Le Lombard zorgt steeds voor lekker
leesmateriaal. De imprint bestaat al meer dan vijfentwintig jaar en heeft
nog geen veertig albums opgeleverd. Dat wil zeggen dat men streng
selecteert voor opname. Goed zo. Ook Mezek staat garant voor een
interessant uurtje lezen.
Laat ik voor de verandering eens beginnen met de tekenaar. André Juillard is bepaald geen sukkelaar. De man heeft met strips als Het dagboek en De lange reis van Lena al bewezen dat hij met kundige hand een prachtige wereld kan scheppen. Zijn potloodtekeningen leunen dicht tegen de klare lijn aan maar hij weet er meer realisme in te leggen dan pakweg Hergé. Dat heeft veel met de inkleuring te maken die meer diepgang heeft dan de kleuren die doorgaans aan dit soort tekeningen worden toebedeeld. In deze strip is actie en techniek zeer belangrijk aangezien het verhaal over piloten en oorlog handelt. Ik ben geen ingenieur maar de vliegtuigen die Juillard op het blad zet lijken me technisch extreem goed onderbouwd. En dat draagt toe aan de smaak van het geheel nietwaar?
Denk bij deze strip nu alstublieft niet meteen aan Buck Danny of iets dergelijks. Het verhaal dat scenarist Yann uit zijn mouw schudt is toch iets serieuzer van aard. Het boek speelt zich af in 1948 en handelt over de Israëlische staat in haar kinderschoenen. In die periode voerde Israël oorlog met Egypte maar beschikte het amper over goede vliegtuigen en piloten. Daarom werden die ingehuurd en blijkbaar zaten daar ook Duitsers tussen die in WOII meegevochten hebben. Zo’n gegeven lijkt me extreem interessant. Toch liep scenarist Yann al jaren te leuren met zijn project. Het was pas toen Juillard erover las in een interview met Yann en de man contacteerde dat het project, pun 100% intended, vleugels kreeg.
Ook het feit dat alle in de strip gegeven historische informatie nieuw voor me was kon me enorm bekoren. Men is blijkbaar nooit te oud om bij te leren. Aan de andere kant is juist die informatie één van de weinige minpunten van deze strip. Soms wordt er iets te lang gepalaverd en zijn de tekstballonnen iets te zeer volgestouwd met woorden. Maar dat is uiteraard mijn persoonlijke smaak. Ik ben er zeker van dat geschiedenisliefhebbers met veel plezier deze teksten tot zich zullen nemen. Gelukkig is er ruimte voor intrige en ook wat sexy time. Hoofdpersonage Björn houdt er relaties met drie verschillende vrouwen op na en blijkt heel wat geraamtes in zijn kast hebben te zitten. Naarmate die er komen uitkletteren wordt het verhaal, na een vrij trage start, ook spannender. Mezek is een waardevolle toevoeging aan Getekend en een aanrader om onder de kerstboom te leggen voor papa, mama, opa, oma, jezelf of je lief. Er vanuitgaand dat wij dikke, zweterige, oude striplezers uiteraard een lief hebben. Cue: verontwaardigde reacties van mensen die geen gevoel voor humor, relativering en/of zelfspot hebben.
Meer recensies van Peter kunt u lezen op zijn blog.
Laat ik voor de verandering eens beginnen met de tekenaar. André Juillard is bepaald geen sukkelaar. De man heeft met strips als Het dagboek en De lange reis van Lena al bewezen dat hij met kundige hand een prachtige wereld kan scheppen. Zijn potloodtekeningen leunen dicht tegen de klare lijn aan maar hij weet er meer realisme in te leggen dan pakweg Hergé. Dat heeft veel met de inkleuring te maken die meer diepgang heeft dan de kleuren die doorgaans aan dit soort tekeningen worden toebedeeld. In deze strip is actie en techniek zeer belangrijk aangezien het verhaal over piloten en oorlog handelt. Ik ben geen ingenieur maar de vliegtuigen die Juillard op het blad zet lijken me technisch extreem goed onderbouwd. En dat draagt toe aan de smaak van het geheel nietwaar?
Denk bij deze strip nu alstublieft niet meteen aan Buck Danny of iets dergelijks. Het verhaal dat scenarist Yann uit zijn mouw schudt is toch iets serieuzer van aard. Het boek speelt zich af in 1948 en handelt over de Israëlische staat in haar kinderschoenen. In die periode voerde Israël oorlog met Egypte maar beschikte het amper over goede vliegtuigen en piloten. Daarom werden die ingehuurd en blijkbaar zaten daar ook Duitsers tussen die in WOII meegevochten hebben. Zo’n gegeven lijkt me extreem interessant. Toch liep scenarist Yann al jaren te leuren met zijn project. Het was pas toen Juillard erover las in een interview met Yann en de man contacteerde dat het project, pun 100% intended, vleugels kreeg.
Ook het feit dat alle in de strip gegeven historische informatie nieuw voor me was kon me enorm bekoren. Men is blijkbaar nooit te oud om bij te leren. Aan de andere kant is juist die informatie één van de weinige minpunten van deze strip. Soms wordt er iets te lang gepalaverd en zijn de tekstballonnen iets te zeer volgestouwd met woorden. Maar dat is uiteraard mijn persoonlijke smaak. Ik ben er zeker van dat geschiedenisliefhebbers met veel plezier deze teksten tot zich zullen nemen. Gelukkig is er ruimte voor intrige en ook wat sexy time. Hoofdpersonage Björn houdt er relaties met drie verschillende vrouwen op na en blijkt heel wat geraamtes in zijn kast hebben te zitten. Naarmate die er komen uitkletteren wordt het verhaal, na een vrij trage start, ook spannender. Mezek is een waardevolle toevoeging aan Getekend en een aanrader om onder de kerstboom te leggen voor papa, mama, opa, oma, jezelf of je lief. Er vanuitgaand dat wij dikke, zweterige, oude striplezers uiteraard een lief hebben. Cue: verontwaardigde reacties van mensen die geen gevoel voor humor, relativering en/of zelfspot hebben.
Meer recensies van Peter kunt u lezen op zijn blog.

'Herinneringen' van Rudolf Kahl in het Chinees
Het boek Herinneringen van Rudolf Kahl gaat in China
uitgegeven worden.
In Herinneringen blikt Kahl in woord en beeld terug op zijn jeugd
in Duitsland. Hij groeide zogezegd op in de puinhopen van het Derde Rijk.
The People's Literature Publishing House in Peking gaat het boek uitgeven. De focus van deze uitgeverij ligt bij het uitbrengen van buitenlandse literatuur. Ze geven ook Multatuli, Bernlef, Anne Frank, Leonard Blussé en Lotte van de Pol uit.
Het Letterenfonds levert een bijdrage aan de kosten voor vertaling.
Esther Gasseling van uitgeverij Xtra is al sinds 2007 in gesprek met de Chinese uitgeverij om deze uitgave te regelen. Nu gaat het er dus toch van komen.
Hieronder de cover van 'Herinneringen' in het Chinees. De uitgever had deze voor de grap al eens laten vertalen.
The People's Literature Publishing House in Peking gaat het boek uitgeven. De focus van deze uitgeverij ligt bij het uitbrengen van buitenlandse literatuur. Ze geven ook Multatuli, Bernlef, Anne Frank, Leonard Blussé en Lotte van de Pol uit.
Het Letterenfonds levert een bijdrage aan de kosten voor vertaling.
Esther Gasseling van uitgeverij Xtra is al sinds 2007 in gesprek met de Chinese uitgeverij om deze uitgave te regelen. Nu gaat het er dus toch van komen.
Hieronder de cover van 'Herinneringen' in het Chinees. De uitgever had deze voor de grap al eens laten vertalen.

Mijn eerste keer - Aimée de Jongh

Voor alles is er een eerste keer: de eerste zoen, de eerste keer
seks, je eerste schooldag, je eerste werkdag... en voor tekenaars is er de
eerste keer modeltekenen. Aimée de Jongh (1988) maakte over deze
gebeurtenis een kort stripverhaal dat ze op Strip Turnhout
presenteerde.
In de anekdotische smallpress-uitgave Mijn eerste keer vertelt de stripmaakster met humor hoeveel moeite ze had met het tekenen van haar eerste mannelijke naaktmodel - haar eerste confrontatie met het naakte mannenlichaam. De cover maakt meteen de oorzaak van haar probleem duidelijk: Aimée staart met het schaamrood op de kaken naar het geslachtsdeel van het model. Subtiel laat ze in de eerste schetsen de plek tussen zijn benen geheel leeg: de zestienjarige tekenares kan er in eerste instantie nog niet goed mee omgaan.
De Jongh tekent de strip in haar bekende snelle lijnvoering die ieder plaatje een levendige dynamiek geeft. Mijn eerste keer is een fijn tussendoortje. Het wachten is nu op De Jonghs eerste serieuze striproman.
Mijn eerste keer en andere smallpress-boekjes van Aimée de Jongh zijn te bestellen bij Amazing & Uncanny Comics. Daar zijn ook de smallpress-uitgaven van Kenny Rubenis te bestellen. Amazing & Uncanny comics is een initiatief van De Jongh en Rubenis. Ze geven samen hun werk uit.
In de anekdotische smallpress-uitgave Mijn eerste keer vertelt de stripmaakster met humor hoeveel moeite ze had met het tekenen van haar eerste mannelijke naaktmodel - haar eerste confrontatie met het naakte mannenlichaam. De cover maakt meteen de oorzaak van haar probleem duidelijk: Aimée staart met het schaamrood op de kaken naar het geslachtsdeel van het model. Subtiel laat ze in de eerste schetsen de plek tussen zijn benen geheel leeg: de zestienjarige tekenares kan er in eerste instantie nog niet goed mee omgaan.
De Jongh tekent de strip in haar bekende snelle lijnvoering die ieder plaatje een levendige dynamiek geeft. Mijn eerste keer is een fijn tussendoortje. Het wachten is nu op De Jonghs eerste serieuze striproman.
Mijn eerste keer en andere smallpress-boekjes van Aimée de Jongh zijn te bestellen bij Amazing & Uncanny Comics. Daar zijn ook de smallpress-uitgaven van Kenny Rubenis te bestellen. Amazing & Uncanny comics is een initiatief van De Jongh en Rubenis. Ze geven samen hun werk uit.
Tijd voor Plunk in Lambiek

Pak uw agenda of smartphone en zet bij vrijdag 16 december met
grote letters PLUNK! Want om 17 uur die dag is de boekpresentatie van
Plunk! Deel 3 in
Galerie Lambiek.
Het derde album heet De Plunk Generatie en wordt uitgegeven door het jonge Strip 2000. Gelijktijdig met Plunk! #3 verschijnt bij deze uitgeverij ook de herdruk van Tom Carbon deel 2. Naast een nieuwe cover heeft het album een compleet nieuwe inkleuring gekregen.
Luc Cromheecke en Laurent Letzer, de bedenkers van Plunk, zijn ook bekend van de strip Tom Carbon. Beide strips verschenen jarenlang in het weekblad Robbedoes/Spirou. Plunk, het grappige buitenaardse wezentje verscheen voor het eerst als bijfiguur in Taco Zip, de strip die in de jaren tachtig dagelijks verscheen in de Volkskrant. Vandaag de dag verschijnt Plunk in het stripblad Eppo. Meer over de geschiedenis van Plunk en de samenwerking tussen Cromheecke en Letzer kun je in dit interview lezen.
Wie vrijdag naar Lambiek komt krijgt bij aanschaf van het nieuwe album 'een leuke verrassing' aldus de medewerkers van Lambiek. Ik ben benieuwd.
Het derde album heet De Plunk Generatie en wordt uitgegeven door het jonge Strip 2000. Gelijktijdig met Plunk! #3 verschijnt bij deze uitgeverij ook de herdruk van Tom Carbon deel 2. Naast een nieuwe cover heeft het album een compleet nieuwe inkleuring gekregen.
Luc Cromheecke en Laurent Letzer, de bedenkers van Plunk, zijn ook bekend van de strip Tom Carbon. Beide strips verschenen jarenlang in het weekblad Robbedoes/Spirou. Plunk, het grappige buitenaardse wezentje verscheen voor het eerst als bijfiguur in Taco Zip, de strip die in de jaren tachtig dagelijks verscheen in de Volkskrant. Vandaag de dag verschijnt Plunk in het stripblad Eppo. Meer over de geschiedenis van Plunk en de samenwerking tussen Cromheecke en Letzer kun je in dit interview lezen.
Wie vrijdag naar Lambiek komt krijgt bij aanschaf van het nieuwe album 'een leuke verrassing' aldus de medewerkers van Lambiek. Ik ben benieuwd.
Aan boord van de Morgenster - Riff Reb’s
(Silvester / HC - € 19,95)

Het verstrippen van 'literaire' romans kent een hoge vlucht. De redenen
daarvoor zijn legio. De makers willen een hoogstaande strip maken, het
medium strip op een hoger niveau tillen, maken een adaptatie die op
creatieve wijze omgaat met het bronmateriaal of willen simpelweg met een
succesvol verhaal makkelijk geld binnen halen. Aan boord van de
Morgenster is een adaptatie van een roman van Pierre Mac Orlan, maar is
vermoedelijk een werk van liefde. Als Riff Reb’s het voor het geld
deed, had hij wel Harry Potter proberen te verstrippen.
We mogen in onze handjes wrijven dat Reb’s deze taak op zich heeft genomen. Eerst dacht ik: “Pfff, weer een piratenstrip”, maar deze is toch anders dan de rest. Naar alle waarschijnlijkheid heeft het originele boek daar veel mee te maken. Aan de teksten in dit boek hangt wat meer vlees dan in de doorsnee strip. Het verhaal heeft niet echt een plot en bestaat uit korte chronologische verhalen over een jongen die piraat wordt en later, als oude en verbitterde man, terugkijkt op zijn leven. De kracht van de verhalen ligt enerzijds in de historische correctheid, Reb’s heeft zich enig opzoekwerk gepermitteerd, en anderzijds in de poëtische benadering van de piraat. Eenzaamheid, verliefdheid, woede, moordlust: allen aanwezig. De verhalen variëren van zeer goed tot slechts entertainend. Enkele slagen er niet meteen in om de inhoud of de sfeer die Reb’s waarschijnlijk wilde overbrengen uit te beelden. Een roman adapteren is geen makkelijk werk, men moet zeer kundig zijn in het kiezen wat je overbrengt en wat je weg laat.
Hoewel ik de kriebels krijg van te overdreven literair taalgebruik slaagt Reb’s (en dus ook de vertaler) erin om de grens naar semipoëtische drek niet te overschrijden. Er staan enkele pareltjes van beschrijvende zinnen in dit boek. Dat is doorgaans geen gewoonte in strips en alleen daarom al is dit boek het aanschaffen waard. Reb’s, echte naam Dominique Duprez, werkt al enkele decennia in de stripwereld en het minste wat je van zijn tekeningen kunt zeggen is dat ze kundig vervaardigd zijn. Reb’s hanteert een krasserige stijl. Geheel naar één van de door Scott McCloud omschreven stripprincipes dat handelt over realisme in decor en identificatie met de personages in de strip, laat hij die stijl in de achtergronden neigen naar realisme met veel arcering terwijl hij de personages net iets cartoonesquer tekent. Volgens McCloud ervaren we een verhaal als spannender en echter als de achtergronden meer waarheidsgetrouw zijn en leven we meer mee met stripfiguren als die uit simpele gelaatstrekken zijn opgetrokken. De inkleuring is monochroom en wisselt van verhaal tot verhaal. Soms, om een bepaald effect te bereiken, verandert het palet ook binnen hetzelfde hoofdstuk. Ik kan niet zeggen dat ik er wild van ben. Doeltreffend: ja, sfeervol: ja, maar iets zegt me dat de tekeningen van Reb’s in volle kleurenpracht nog beter tot hun recht zouden komen. Iedereen die enkel serieuze strips en graphic novels leest maar stiekem toch nog altijd een beetje een belhamel is die zich de schrik der zeven zeeën waant, zal met volle teugen van dit boek kunnen genieten. Meer recensies van Peter kunt u lezen op zijn blog.
We mogen in onze handjes wrijven dat Reb’s deze taak op zich heeft genomen. Eerst dacht ik: “Pfff, weer een piratenstrip”, maar deze is toch anders dan de rest. Naar alle waarschijnlijkheid heeft het originele boek daar veel mee te maken. Aan de teksten in dit boek hangt wat meer vlees dan in de doorsnee strip. Het verhaal heeft niet echt een plot en bestaat uit korte chronologische verhalen over een jongen die piraat wordt en later, als oude en verbitterde man, terugkijkt op zijn leven. De kracht van de verhalen ligt enerzijds in de historische correctheid, Reb’s heeft zich enig opzoekwerk gepermitteerd, en anderzijds in de poëtische benadering van de piraat. Eenzaamheid, verliefdheid, woede, moordlust: allen aanwezig. De verhalen variëren van zeer goed tot slechts entertainend. Enkele slagen er niet meteen in om de inhoud of de sfeer die Reb’s waarschijnlijk wilde overbrengen uit te beelden. Een roman adapteren is geen makkelijk werk, men moet zeer kundig zijn in het kiezen wat je overbrengt en wat je weg laat.
Hoewel ik de kriebels krijg van te overdreven literair taalgebruik slaagt Reb’s (en dus ook de vertaler) erin om de grens naar semipoëtische drek niet te overschrijden. Er staan enkele pareltjes van beschrijvende zinnen in dit boek. Dat is doorgaans geen gewoonte in strips en alleen daarom al is dit boek het aanschaffen waard. Reb’s, echte naam Dominique Duprez, werkt al enkele decennia in de stripwereld en het minste wat je van zijn tekeningen kunt zeggen is dat ze kundig vervaardigd zijn. Reb’s hanteert een krasserige stijl. Geheel naar één van de door Scott McCloud omschreven stripprincipes dat handelt over realisme in decor en identificatie met de personages in de strip, laat hij die stijl in de achtergronden neigen naar realisme met veel arcering terwijl hij de personages net iets cartoonesquer tekent. Volgens McCloud ervaren we een verhaal als spannender en echter als de achtergronden meer waarheidsgetrouw zijn en leven we meer mee met stripfiguren als die uit simpele gelaatstrekken zijn opgetrokken. De inkleuring is monochroom en wisselt van verhaal tot verhaal. Soms, om een bepaald effect te bereiken, verandert het palet ook binnen hetzelfde hoofdstuk. Ik kan niet zeggen dat ik er wild van ben. Doeltreffend: ja, sfeervol: ja, maar iets zegt me dat de tekeningen van Reb’s in volle kleurenpracht nog beter tot hun recht zouden komen. Iedereen die enkel serieuze strips en graphic novels leest maar stiekem toch nog altijd een beetje een belhamel is die zich de schrik der zeven zeeën waant, zal met volle teugen van dit boek kunnen genieten. Meer recensies van Peter kunt u lezen op zijn blog.

Michiel van de Pol wint Willy Vandersteenprijs

De jury van de Willy Vandersteenprijs kent de prijs voor beste
Nederlandstalig beeldverhaal 2010 -2011 toe aan de Nederlandse stripauteur
Michiel van de Pol (1965) voor zijn album Terug naar Johan,
uitgegeven bij Oog & Blik/De Bezige Bij. Van de Pol volgt daarmee
Brecht Evens op die
in 2009 de eerste editie van de prijs won met zijn graphic novel
Ergens waar je niet wil zijn. Op zaterdag 10 december ontvangt Van
de Pol op het Gala van de Vlaamse Strip tijdens het Strip Turnhout
festival, de prijs die de naam draagt van Willy Vandersteen
(1913-1990).
Zoals algemeen bekend was Vandersteen de geestelijke vader van Suske en Wiske.
Michiel van de Pol debuteerde in 1996 met de gagstrip Mol in het Sjors en Sjimmie Stripblad. Naar aanleiding van de geboorte van zijn eerste zoon startte Van de Pol een dagboekstrip dat in 2000 gebundeld werd door uitgeverij De Prom (De Medicijnman). Zes jaar later won de Nederlandse stripauteur met zijn autobiografische strip Cartoondiarree de Stripstrijd van Het Parool. De strip verscheen twee jaar lang in de Nederlandse krant. Michiel van de Pols werk verscheen o.a. in NRC Next, Eisner en Zone 5300. In 2010 verscheen bij uitgeverij Oog&Blik/De Bezige Bij Terug naar Johan, waarin de stripauteur terugkijkt naar zijn vervlogen jeugdjaren.
De Willy Vandersteenprijs werd in het leven geroepen door Vlaams-Nederlands huis deBuren in Brussel, Stripdagen Haarlem en Strip Turnhout en bekroont het beste oorspronkelijk Nederlandstalige album van de voorbije twee jaar. Er is een geldprijs van 5.000 euro aan verbonden en de laureaat krijgt een tentoonstelling over het winnende album die zowel in Vlaanderen als Nederland te zien zal zijn.
De Vlaams-Nederlandse jury voor de prijs bestond deze editie voor de tweede opeenvolgende en laatste keer uit Leen Vandersteen (niet-stemgerechtigd juryvoorzitter), Ineke Horst (uitbaatster stripwinkel Sjors Dordrecht), Noël Slangen (communicatiespecialist, stripliefhebber), Jan Smet (stichter Bronzen Adhemar, Stripgids en stripfestival Turnhout), Frank Van Leemput (advocaat, stripliefhebber) en Hein Van Putten (art director De Volkskrant, stripliefhebber).
Zoals algemeen bekend was Vandersteen de geestelijke vader van Suske en Wiske.
Michiel van de Pol debuteerde in 1996 met de gagstrip Mol in het Sjors en Sjimmie Stripblad. Naar aanleiding van de geboorte van zijn eerste zoon startte Van de Pol een dagboekstrip dat in 2000 gebundeld werd door uitgeverij De Prom (De Medicijnman). Zes jaar later won de Nederlandse stripauteur met zijn autobiografische strip Cartoondiarree de Stripstrijd van Het Parool. De strip verscheen twee jaar lang in de Nederlandse krant. Michiel van de Pols werk verscheen o.a. in NRC Next, Eisner en Zone 5300. In 2010 verscheen bij uitgeverij Oog&Blik/De Bezige Bij Terug naar Johan, waarin de stripauteur terugkijkt naar zijn vervlogen jeugdjaren.
Uit het juryrapport: “In het boek maakt Van de Pol de lezer deelgenoot van zijn jeugdvriendschap met Johan en de impact van een ontluikende puberteit op die vriendschap. De jury prijst de kwetsbare en humoristische manier waarop Van de Pol herkenbare en persoonlijke situaties neer zet. Met een schijnbaar nonchalante eenvoudige stijl creëert Michiel van de Pol meerdimensionale personages van vlees en bloed. Het werk van Michiel van de Pol is een mooie vertegenwoordiger van de sterke aanwezigheid van de autobiografische graphic novel in Vlaanderen en Nederland. Bovendien prijst de jury van de Willy Vandersteenprijs auteur Michiel van de Pol als exponent van een stripgeneratie die koppig en met veel doorzettingsvermogen hun eigen ding blijft doen in financieel vaak weinig stimulerende omstandigheden.Bijzondere appreciatie drukt de jury daarnaast uit voor twee albums die tot in de laatste fase mee in de running waren, met name het aangrijpende Van Istanbul naar Bagdad van auteurs Hanco Kolk en Arnon Grunberg en de heerlijk onderkoelde gagstrip ‘Sigmund’ van Peter de Wit.”
De Willy Vandersteenprijs werd in het leven geroepen door Vlaams-Nederlands huis deBuren in Brussel, Stripdagen Haarlem en Strip Turnhout en bekroont het beste oorspronkelijk Nederlandstalige album van de voorbije twee jaar. Er is een geldprijs van 5.000 euro aan verbonden en de laureaat krijgt een tentoonstelling over het winnende album die zowel in Vlaanderen als Nederland te zien zal zijn.
De Vlaams-Nederlandse jury voor de prijs bestond deze editie voor de tweede opeenvolgende en laatste keer uit Leen Vandersteen (niet-stemgerechtigd juryvoorzitter), Ineke Horst (uitbaatster stripwinkel Sjors Dordrecht), Noël Slangen (communicatiespecialist, stripliefhebber), Jan Smet (stichter Bronzen Adhemar, Stripgids en stripfestival Turnhout), Frank Van Leemput (advocaat, stripliefhebber) en Hein Van Putten (art director De Volkskrant, stripliefhebber).
Airborne 44 - Philippe Jarbinet
(Casterman, Integrale (nrs. 1-2): HC - € 20. Nr. 3 - Omaha Beach: HC - € 11.50)

Jarbinet is als stripmaker vooral bekend om De as van de Katharen,
maar kwam in 2009 op de proppen met een tweeluik rond WOII: Waar de
mannen vallen en Morgen zullen wij er niet meer zijn. Dat
tweeluik verscheen onlangs in een integrale. De aanleiding daarvoor is de
verschijning van het eerste deel van een tweede tweeluik onder de naam
Airborne 44: Omaha Beach. De verhalen en de personages in deze twee
tweeluiken hebben totaal niets met elkaar te maken. Toch volgt hier een
recensie over het geheel. De sfeer, tekeningen, dialogen en het vakmanschap
zijn immers van gelijke orde.
Beide verhalen draaien rond de impact van de tweede wereldoorlog op menselijk niveau. Met verbazend gemak propt Jarbinet een heleboel verschillende personages en hun verhalen in zijn strips en weet hij ze genuanceerd af te schilderen. Aan de Duitse kant lopen er natuurlijk enkele regelrechte smeerlappen rond. Het blijven de slechteriken natuurlijk, maar praktisch alle personages hebben hun donkere en lichte zijde. Even vreesde ik voor een te zacht voortkabbelende strip met vooral heel veel gebabbel, maar op de gepaste momenten barst de bom. De psychologische en kalme scènes wisselen af met filmische actiescènes. Vaak is de actie in een Europese strip niet om over naar huis te schrijven maar Jarbinet slaagt erin om de gevechten in zijn strip een zekere bombast mee te geven zonder de personages uit het oog te verliezen.
De stijl van Jarbinet heeft daar veel mee te maken. Jarbinet hanteert een realistische stijl die dicht tegen die van Vance aanleunt. Hij slaagt er echter in om zijn tekeningen levendiger te houden. Geen stramme houdingen, maar vloeiend tekenwerk. Hij kleurt zijn werk rechtstreeks in met verf en dat zorgt voor een heldere levendigheid die je niet vaak ziet in dit soort strips. Elk plaatje is een prachtig miniatuurschilderijtje. Voor de strips werkte Jarbinet samen met Philippe Gillian, de conservator van een oorlogsmuseum. Diens taak bestond eruit de historische details te controleren. De strips zijn bijgevolg een zeer gedetailleerd en historisch correct verslag van bepaalde gebeurtenissen in WOII. Dat maakt deze reeks uiteraard nog net dat tikkeltje interessanter. Ik wist bijvoorbeeld niet dat de Nazi’s rijdende gaskamers hadden. Zo leert een mens nog eens iets bij.
De dialogen van Jarbinet zijn soms op het randje van het cliché maar tuimelen net niet in de afgrond van het melodrama. Ik kan zelfs geloven dat mensen in tijden als deze soms vervallen tot platitudes. Wat valt er immers nog te zeggen in het aanschijn van zoveel ellende? De gruwel valt soms gewoon niet te beschrijven. In die gevallen nemen de tekeningen van Jarbinet het werk over. Verdict: een meesterlijk getekende, goed gestoffeerde maar nooit saaie, stripreeks met perfect gedoseerde afwisseling tussen actie en rustpunten. WOII is toch nog voor iets goed geweest al weegt het ene niet op tegen het andere natuurlijk.
Beide verhalen draaien rond de impact van de tweede wereldoorlog op menselijk niveau. Met verbazend gemak propt Jarbinet een heleboel verschillende personages en hun verhalen in zijn strips en weet hij ze genuanceerd af te schilderen. Aan de Duitse kant lopen er natuurlijk enkele regelrechte smeerlappen rond. Het blijven de slechteriken natuurlijk, maar praktisch alle personages hebben hun donkere en lichte zijde. Even vreesde ik voor een te zacht voortkabbelende strip met vooral heel veel gebabbel, maar op de gepaste momenten barst de bom. De psychologische en kalme scènes wisselen af met filmische actiescènes. Vaak is de actie in een Europese strip niet om over naar huis te schrijven maar Jarbinet slaagt erin om de gevechten in zijn strip een zekere bombast mee te geven zonder de personages uit het oog te verliezen.
De stijl van Jarbinet heeft daar veel mee te maken. Jarbinet hanteert een realistische stijl die dicht tegen die van Vance aanleunt. Hij slaagt er echter in om zijn tekeningen levendiger te houden. Geen stramme houdingen, maar vloeiend tekenwerk. Hij kleurt zijn werk rechtstreeks in met verf en dat zorgt voor een heldere levendigheid die je niet vaak ziet in dit soort strips. Elk plaatje is een prachtig miniatuurschilderijtje. Voor de strips werkte Jarbinet samen met Philippe Gillian, de conservator van een oorlogsmuseum. Diens taak bestond eruit de historische details te controleren. De strips zijn bijgevolg een zeer gedetailleerd en historisch correct verslag van bepaalde gebeurtenissen in WOII. Dat maakt deze reeks uiteraard nog net dat tikkeltje interessanter. Ik wist bijvoorbeeld niet dat de Nazi’s rijdende gaskamers hadden. Zo leert een mens nog eens iets bij.
De dialogen van Jarbinet zijn soms op het randje van het cliché maar tuimelen net niet in de afgrond van het melodrama. Ik kan zelfs geloven dat mensen in tijden als deze soms vervallen tot platitudes. Wat valt er immers nog te zeggen in het aanschijn van zoveel ellende? De gruwel valt soms gewoon niet te beschrijven. In die gevallen nemen de tekeningen van Jarbinet het werk over. Verdict: een meesterlijk getekende, goed gestoffeerde maar nooit saaie, stripreeks met perfect gedoseerde afwisseling tussen actie en rustpunten. WOII is toch nog voor iets goed geweest al weegt het ene niet op tegen het andere natuurlijk.

Heinz museum sluit deuren

Het Heinz museum opende in 2009 de deuren aan de Nieuwe Amstelstraat. Per 1 januari 2012 gaan ze weer dicht. Maar gelukkig niet voordat er nog een feestje wordt gegeven.
Het was er altijd gezellig, tijdens officiële presentaties, maar ook gewoon door de weeks, als je even kwam kijken hoe de twee stripmakers het maakte.
In deze video van de Amsterdamse zender AT5 een gesprek met René Windig.
Gelukkig is er ook nog vrolijk nieuws over Neerlands een na beroemdste stripkat te melden, want binnenkort verschijnen er namelijk twee nieuwe Heinz boeken: Niks mis met golfen en Niks mis met kinderen.
Green Manor - Fabien Vehlmann & Denis Bodart
(Blloan - HC - € 29,95)


Green Manor is een Londense gentlemen’s club zoals die alleen in Engeland bestaat: pijprokende heren in smoking jackets die brandy drinken bij het haardvuur, onderwijl straffe verhalen opdissend. De heren in deze club hebben echter een voorliefde voor sinistere mysteries en een groot deel van hen lijkt ook banden te hebben met de politie of Scotland Yard. Elk verhaal begint op dezelfde manier: enkele leden van de club discussiëren over lugubere zaken, zoals een net gepleegde en onopgeloste moord, of voeren een theoretisch gesprek in de trant van “Hoe zou jij een moord aanpakken?”
Onveranderlijk escaleren die gesprekken in daden. Soms moet er een moord opgelost worden, soms moet er één verijdeld worden, maar altijd eindigt het mysterie met een twist aan de ontknoping. Om het geheel geloofwaardig te houden, er kunnen niet elke week dodelijke slachtoffers vallen in of rond dezelfde club, situeert Vehlmann de verhalen enkele jaren uit elkaar. Zijn speelterrein omvat het Londen aan het einde de negentiende eeuw. Onvermijdelijk spoken de geesten van de tijd door de verhalen. Sherlock Holmes, Agatha Christie en Jack De Ripper zijn nooit ver uit de buurt. Vehlmann tackelt bekende opzetten als een moord in een afgesloten kamer of een ongeluk dat uiteindelijk een moord blijkt geweest te zijn met veel gusto. Hij slaagt er meestal in om de lezer enkele stappen voor te zijn en er een hoogst persoonlijke draai aan te geven.
Slechts drie van de zestien verhalen vond ik door te vergezochte plotwendingen iets minder. Dit boek draait, qua opzet, vrijwel volledig om plot. Er is immers nooit veel ruimte om personages te ontwikkelen. Vehlmann slaagt echter in zijn voornemen: praktisch alle verhalen zullen u op hun minst entertainen en op hun meest aan uw stoel kluisteren.
Tekenaar Denis Bodart, vooral bekend van de humoristische strips Spettertje en Vieze sprookjes slaagt erin om zijn stijl op uitstekende wijze naar de verhalen te modelleren. Hij stopt genoeg schwung, beweging en humor in de prenten om niet te gaan vervelen, maar overdrijft daar ook niet mee zoals in zijn humoristische strips. Noemenswaardig is ook wat hij doet met de veelheid aan personages. Telkens weer verschillende mannen tekenen met de volgende kenmerken: “Brits, upper class, tussen de 30 en 70 jaar oud” zou bij vele tekenaars tot niet van elkaar te onderscheiden figuren leiden. Bodart blijkt echter een meester van de karikatuur en geeft elk van hen een makkelijk van de andere personages te onderscheiden uiterlijk mee. Dit boek bevat drie albums die al in één of andere vorm op de Nederlandstalige markt te krijgen waren, meestal enkel in softcover. Blloan schenkt ons, naar iets wat blijkbaar goede gewoonte aan het worden is, een prachtige uitgave. Alle verhalen in één hardcover met een prachtige omslag die voelbaar met reliëf gedrukt is. Voeg daar nog het rode leeslint aan toe en het plaatje is af. Ik betwijfel bovendien ten zeerste of iemand dat leeslint zelfs zal nodig hebben. Ik las dit boek in één ruk uit.
Meer recensies kunt u lezen op zijn blog.

