(Thrill Jockey)

Chicago is nog altijd het epicentrum van vooruitstrevende jazz. Trompettist
Rob Mazurek en drummer Chad Taylor draaien daar al een tijdje mee; met het
Chicago Underground-collectief hebben ze als duo, trio of kwartet al tien
platen gemaakt. Dit is hun vijfde plaat als duo, nu eens niet opgenomen in
Chicago, maar Sao Paulo. Ze begonnen in 1998 met nogal ontoegankelijke
geluidsexperimenten, maar rond 2000 tot 2002 hadden ze hun unique
selling point gevonden: freejazz improvisaties met trompet, drums en
vibrafoon.
Wat maakt het Chicago Underground-geluid nu zo herkenbaar? Trompet en drums worden op stategische momenten ondersteund door beats en basloops uit de laptop. Impro kan door gebrek aan structuur makkelijk eenvormig en dus saai worden. Een laptop erbij bleek een gouden greep. Misschien wilden ze niet in herhaling vallen; op In praise of shadows (2006) lieten ze de laptop grotendeels thuis. Dat leverde een wat vage futloze plaat op. Ze leken hun beste tijd wel achter de rug te hebben, maar Boca Negra is weer verrassend spannend en energiek. Terug zijn de opzwepende stukken naast subtiele electro-impro-soundscapes. Chad Taylor speelt soms vibrafoon en drums tegelijk. Mazureks lyrische trompetspel gaat heen en weer tussen freejazz en feestelijke volksmuziek. Het fijne van deze plaat is dat de nummers heel divers van sfeer en opzet zijn, waardoor de aandacht nooit verslapt. Ze hebben voor het eerst ook een cover opgenomen: Broken Shadows van Ornette Coleman. Boca Negra betekend ‘zwarte mond’ en verwijst naar de krater van de Caraïbische vulkaan Tiede, maar ook naar een plaatselijke betekenis: het opnemen van een eindeloze stroom aan informatie. Het maken van de plaat nam drie jaar in beslag omdat ze beide vaak met verschillende bands op toernee waren, waaronder Exploding Star Orchestra, Iron and Wine en Marc Ribot.
In de nummers 2, 3, en 4 wordt er nog wel onduidelijk gefriemeld, maar halverwege Confliction gaan ze dan echt los met gehak op een piano en superswingende polyritmiek. Het volgende nummer Hermeto slaat een totaal andere weg in: de repeterende tinkelende synthesizermelodie klinkt bijna als een dromerig stukje Mike Oldfield(!). Fluitjes en duimpiano komen ook langs. Taylor gaat af en toe behoorlijk a-ritmisch te werk, wat heel fijn contrasteert met de momenten waarop de laptop de boel weer in het gareel stuurt. In Spy on the floor lijkt er zowat een hele Caraïbische drumband in de studio te staan, de energie spat er vanaf. Afsluiter Vergence is het meest gedurfd, want verre van jazz: dit klinkt bijna als een kruising tussen Brian Eno en de solo-elektronica van Radiohead Thom Yorke. Het duo heeft de eigen muzikale grenzen weer een stukje opgerekt met een erg geslaagde plaat. Alle nummers zijn integraal te beluisteren op: ThrillJockey.com
Wat maakt het Chicago Underground-geluid nu zo herkenbaar? Trompet en drums worden op stategische momenten ondersteund door beats en basloops uit de laptop. Impro kan door gebrek aan structuur makkelijk eenvormig en dus saai worden. Een laptop erbij bleek een gouden greep. Misschien wilden ze niet in herhaling vallen; op In praise of shadows (2006) lieten ze de laptop grotendeels thuis. Dat leverde een wat vage futloze plaat op. Ze leken hun beste tijd wel achter de rug te hebben, maar Boca Negra is weer verrassend spannend en energiek. Terug zijn de opzwepende stukken naast subtiele electro-impro-soundscapes. Chad Taylor speelt soms vibrafoon en drums tegelijk. Mazureks lyrische trompetspel gaat heen en weer tussen freejazz en feestelijke volksmuziek. Het fijne van deze plaat is dat de nummers heel divers van sfeer en opzet zijn, waardoor de aandacht nooit verslapt. Ze hebben voor het eerst ook een cover opgenomen: Broken Shadows van Ornette Coleman. Boca Negra betekend ‘zwarte mond’ en verwijst naar de krater van de Caraïbische vulkaan Tiede, maar ook naar een plaatselijke betekenis: het opnemen van een eindeloze stroom aan informatie. Het maken van de plaat nam drie jaar in beslag omdat ze beide vaak met verschillende bands op toernee waren, waaronder Exploding Star Orchestra, Iron and Wine en Marc Ribot.
In de nummers 2, 3, en 4 wordt er nog wel onduidelijk gefriemeld, maar halverwege Confliction gaan ze dan echt los met gehak op een piano en superswingende polyritmiek. Het volgende nummer Hermeto slaat een totaal andere weg in: de repeterende tinkelende synthesizermelodie klinkt bijna als een dromerig stukje Mike Oldfield(!). Fluitjes en duimpiano komen ook langs. Taylor gaat af en toe behoorlijk a-ritmisch te werk, wat heel fijn contrasteert met de momenten waarop de laptop de boel weer in het gareel stuurt. In Spy on the floor lijkt er zowat een hele Caraïbische drumband in de studio te staan, de energie spat er vanaf. Afsluiter Vergence is het meest gedurfd, want verre van jazz: dit klinkt bijna als een kruising tussen Brian Eno en de solo-elektronica van Radiohead Thom Yorke. Het duo heeft de eigen muzikale grenzen weer een stukje opgerekt met een erg geslaagde plaat. Alle nummers zijn integraal te beluisteren op: ThrillJockey.com

(Matador)

Pavement mag dan in 1999 uit elkaar zijn gegaan, dat heeft het uitbrengen
van platen nooit in de weg gestaan. Na 1999 kwamen er namelijk nog
heruitgaves van zowel hun debuut Slanted and Enchanted als
Crooked Rain, Crooked Rain uit, opgeleukt met niet eerder
uitgebracht materiaal. Ook het meer experimentele Wowee Zowee (1995)
kreeg in 2006 een zelfde facelift. In 2009 deden ze wat reunie-shows, maar
de toekomst van de band bleef onduidelijk.
Deze week is er een nieuwe dubbel cd gelanceerd: Quarantine the past. Klinkt hier het voornemen door om nu eindelijk eens op te houden met het recyclen van oud materiaal? Nog eentje dus, om het af te leren. Quarantine is een fijne verzamelaar voor wie de band maar half gevolgd heeft, maar overbodig voor de echte fan, al zal die hem ‘voor de heb’ vast ook wel aanschaffen. Alle nummers zijn al eerder uitgebracht. Pavement’s ontwikkeling van ruig demo-geluid naar helder geproduceerde popnummers is door de 23 tracks heen goed te volgen. Het verschil tussen Two States (dat nog als een oude plaat van The Fall klinkt) en de licht verteerbare hitjes Cut your hair, Shady Lane en Gold Soundz is groot. Maar de laconieke zang en rare grappige teksten van Stephen Malkmus zijn altijd een constante gebleven. Conclusie: hun cultstatus is nog niet versleten. Pavement is uniek, met hun schots en scheve gitaargeluid, quasi-uit de mouw geschudde maar toch scherpe liedjes vol meezingbare grappen en grollen. Vorig jaar kondigde Matador aan dat Pavement weer bij elkaar is en dit jaar op toernee gaat, te beginnen met enkele concerten in New York in september.
Deze week is er een nieuwe dubbel cd gelanceerd: Quarantine the past. Klinkt hier het voornemen door om nu eindelijk eens op te houden met het recyclen van oud materiaal? Nog eentje dus, om het af te leren. Quarantine is een fijne verzamelaar voor wie de band maar half gevolgd heeft, maar overbodig voor de echte fan, al zal die hem ‘voor de heb’ vast ook wel aanschaffen. Alle nummers zijn al eerder uitgebracht. Pavement’s ontwikkeling van ruig demo-geluid naar helder geproduceerde popnummers is door de 23 tracks heen goed te volgen. Het verschil tussen Two States (dat nog als een oude plaat van The Fall klinkt) en de licht verteerbare hitjes Cut your hair, Shady Lane en Gold Soundz is groot. Maar de laconieke zang en rare grappige teksten van Stephen Malkmus zijn altijd een constante gebleven. Conclusie: hun cultstatus is nog niet versleten. Pavement is uniek, met hun schots en scheve gitaargeluid, quasi-uit de mouw geschudde maar toch scherpe liedjes vol meezingbare grappen en grollen. Vorig jaar kondigde Matador aan dat Pavement weer bij elkaar is en dit jaar op toernee gaat, te beginnen met enkele concerten in New York in september.
(Volcom/Petting Zoo)
05-03-2010 17:00

De nieuwe cd van Year Long Disaster grijpt de aandacht voor je een noot
gehoord hebt. Allereerst is er de mystieke hoesschildering van een naar de
hemel stijgende godin. Dan is er de intrigerende plaattitel Black Magic:
All Mysteries Revealed en een bandnaam die verwijst naar de literaire
klassieker De meester en Margarita van Michail Boelgakov. Bij het
intro 'Black Magic' lijkt het meteen raak: een ronkende stonerrock-baslijn
en een fraai Oosters getint gitaarakkoord scheppen een atmosfeer waarin
spannende dingen kunnen gebeuren.
Iets meer dan een een minuut later wordt de luisteraar ruw wakker geschud door een middelmatige gitaarriff, gevolgd door drie kwartier hardrock-volgens-het-tweedehands-boekje. Lemmy van Motörhead schijnt dit geweldig te vinden, wat het ergste doet vermoeden wat betreft het waarnemingsvermogen van de meester. De vlekkeloze sound van deze tweede cd legt haarfijn het probleem van het powertrio Year Long Disaster bloot: een gebrek aan gevaarlijke riffs en tekstuele kwinkslagen die noodzakelijk zijn voor bands die zich wagen op de platgetreden paden van Guns N’ Roses en Alice In Chains. Als zoon van Kinks-oprichter en rock-‘n’-roll-veteraan Dave Davies zou zanger, gitarist en frontman Daniel Davies beter moeten weten. Puntje extra voor de kundige productie van Nick Raskulinecz (Foo Fighters, Rush).
3 April 2010: Year Long Disaster live op Paaspop, Schijndel.
Iets meer dan een een minuut later wordt de luisteraar ruw wakker geschud door een middelmatige gitaarriff, gevolgd door drie kwartier hardrock-volgens-het-tweedehands-boekje. Lemmy van Motörhead schijnt dit geweldig te vinden, wat het ergste doet vermoeden wat betreft het waarnemingsvermogen van de meester. De vlekkeloze sound van deze tweede cd legt haarfijn het probleem van het powertrio Year Long Disaster bloot: een gebrek aan gevaarlijke riffs en tekstuele kwinkslagen die noodzakelijk zijn voor bands die zich wagen op de platgetreden paden van Guns N’ Roses en Alice In Chains. Als zoon van Kinks-oprichter en rock-‘n’-roll-veteraan Dave Davies zou zanger, gitarist en frontman Daniel Davies beter moeten weten. Puntje extra voor de kundige productie van Nick Raskulinecz (Foo Fighters, Rush).
3 April 2010: Year Long Disaster live op Paaspop, Schijndel.

(Drag City)

Ik geef het je te doen: na het overal bejubelde meesterwerk Ys
(2006) een nieuwe plaat maken. Komt ze doodleuk met een driedubbelaar
aanzetten die de concurrentie de rest van het jaar op een niet in te lopen
achterstand zet. Het openingsnummer mag dan Easy heten; dat slaat in
ieder geval niet op de muziek. Dat ze als harpiste-zangeres in het
avantfolkcircuit opvalt is een understatement, niet in het minst
vanwege haar compositorische kwaliteiten. Dat was al zo bij haar debuut
The Milk-Eyed Mender (2004) en sindsdien leek ze zo ongeveer met
haar harp vergroeid. Wilde ze misschien af van het etiket ‘meisje met
harp’? Actrices die altijd in dezelfde rol getypecast worden
willen ook wel eens wat anders. Opener Easy begint dus niet met
harp, maar piano. De harp heeft nog steeds een belangrijke rol, maar wat
vaker op de achtergrond. De arrangementen met strijkers en blazers zijn
wederom weergaloos. Newsom maakt geen muziek die je na twee luisterbeurten
meezingt, maar meanderende epische stukken (de langste is 11 minuten!), die
je pas met stevig doorluisteren langzaam leert kennen. Dat is op haar derde
plaat en magnum opus Have one on me niet anders. Ik wil hier dus
niet beweren de plaat zo vlak na de release al onder de knie te
hebben.
De hoge kinderstem blijft grotendeels achterwege, inclusief hinderlijk gepiep door het afknijpen van de stembanden. Een goede ontwikkeling: dat gepiep op Ys leek vooral een gimmick om haar wacky autodidact-image te ondersteunen. Problemen met de stembanden zullen misschien een rol gespeeld hebben. Haar stem klinkt hier volwassener en veelzijdiger, nog even lyrisch, maar wel een stuk rustiger, soms bijna fluisterend. Niet alle maten hoeven meer volgezongen, iets wat Ys soms wel een vermoeiende luisterervaring maakte. Maar Newsom zal altijd verre van gewoon blijven, ook al doen de complexe composities hier soms aan Kate Bush (vooral ten tijde van The Dreaming) denken. In You and me, Bess hoor je vanwege de dubbele zangpartijen en piano ook de invloed van Joni Mitchell, al heeft Newsom meer vibrato. Dat laatste geldt ook voor In California, een tijdloos nummer over liefde (voor haar thuishaven California?).
De folky kant van de jaren zeventig klinkt duidelijk in haar muziek door. Soms wordt ze op één hoop met singer-songwriters uit de freakfolk-scene gegooid (ze was dan ook met Devendra Banhart op toernee), maar wat zij klaarspeelt is wel van hoger niveau dan Coco Rosie en consorten. Op Kingfisher, een van de mooiste nummers (weer dik 9 minuten!), komen er nog blokfluiten langs, wat er een traditioneel Schots tintje aan geeft, totdat de trompetten er overheen buitelen. Op Baby birch gaat er nog een schepje rock en roll bovenop met distortion-gitaar en drums. Het achtentwintigjarige multitalent heeft de hoge verwachtingen meer dan ingelost, zelfs overtroffen. Dat ze nog lang niet klaar is met haar muzikale ontdekkingstocht is wel duidelijk. Folk, jazz, modern gecomponeerd, pop, what’s next?? Nog een grappig detail: op de website van Drag City stond een promotie-stripje voor de plaat, gemaakt door ene GM. The mystery continues...
De hoge kinderstem blijft grotendeels achterwege, inclusief hinderlijk gepiep door het afknijpen van de stembanden. Een goede ontwikkeling: dat gepiep op Ys leek vooral een gimmick om haar wacky autodidact-image te ondersteunen. Problemen met de stembanden zullen misschien een rol gespeeld hebben. Haar stem klinkt hier volwassener en veelzijdiger, nog even lyrisch, maar wel een stuk rustiger, soms bijna fluisterend. Niet alle maten hoeven meer volgezongen, iets wat Ys soms wel een vermoeiende luisterervaring maakte. Maar Newsom zal altijd verre van gewoon blijven, ook al doen de complexe composities hier soms aan Kate Bush (vooral ten tijde van The Dreaming) denken. In You and me, Bess hoor je vanwege de dubbele zangpartijen en piano ook de invloed van Joni Mitchell, al heeft Newsom meer vibrato. Dat laatste geldt ook voor In California, een tijdloos nummer over liefde (voor haar thuishaven California?).
De folky kant van de jaren zeventig klinkt duidelijk in haar muziek door. Soms wordt ze op één hoop met singer-songwriters uit de freakfolk-scene gegooid (ze was dan ook met Devendra Banhart op toernee), maar wat zij klaarspeelt is wel van hoger niveau dan Coco Rosie en consorten. Op Kingfisher, een van de mooiste nummers (weer dik 9 minuten!), komen er nog blokfluiten langs, wat er een traditioneel Schots tintje aan geeft, totdat de trompetten er overheen buitelen. Op Baby birch gaat er nog een schepje rock en roll bovenop met distortion-gitaar en drums. Het achtentwintigjarige multitalent heeft de hoge verwachtingen meer dan ingelost, zelfs overtroffen. Dat ze nog lang niet klaar is met haar muzikale ontdekkingstocht is wel duidelijk. Folk, jazz, modern gecomponeerd, pop, what’s next?? Nog een grappig detail: op de website van Drag City stond een promotie-stripje voor de plaat, gemaakt door ene GM. The mystery continues...

17 maart in Amsterdam: Hét feest ter ere van Serge Gainsbourg
17 maart in Bitterzoet - Amsterdam

Striptekenaar Joann Sfar heeft een film over Serge
Gainsbourg gemaakt, waarin filmmateriaal gemixt is met animaties van
zijn hand. Op 17 maart, de dag voordat de schitterende film over zijn
heldenleven in première gaat in Nederland, wordt Serges muzikale
nalatenschap gevierd in het Amsterdamse Bitterzoet met clips, muziek en live acts. En nog veel
meer: optredens van Flora Dolores, The Spinshots, Serge van Duijnhoven
(dichter en schrijver), La Secte Citron (theater en muziek) en
Paris-Maastricht (muziek). Alles wat Gainsbourg zo bijzonder maakte, zijn
erotisch geladen teksten, zijn jazzy nummers, de disco, de reggae, de
psychedelica, het komt allemaal aan bod. Twintig jaar na zijn dood is
Gainsbourg een ikoon geworden voor kunstenaars, modeontwerpers, muzikanten,
schrijvers en dj's. Je t'aime...moi aussi!
DJ’s Natashka en Guuzbourg draaien fijne Franse plaatjes uit de sixties & seventies. In de rooksalon kunt u naar hartelust in artistieke poses op sofa’s hangen en van uw Gitanes en Pernod genieten. Joann Sfar die week in Amsterdam, dus is de kans niet geheel denkbeeldig dat hij speciale gast zal zijn. Hanco Kolk, ontwerper van de flyer, zal er in ieder geval ook zijn, evenals Jose Luis Garcia Lechner, die het blauwe portret van Serge maakte. Kom vast in de stemming voor hét feest ter ere van het enfant terrible en provocateur par excellence met Natashka’s online radio Oh-la-la, waar ook meer te lezen is over de film en deze door haar georganiseerde soiree.
Aanvang: 21:00, entree: 10 euro. Adres: Spuistraat 2, Amsterdam.
DJ’s Natashka en Guuzbourg draaien fijne Franse plaatjes uit de sixties & seventies. In de rooksalon kunt u naar hartelust in artistieke poses op sofa’s hangen en van uw Gitanes en Pernod genieten. Joann Sfar die week in Amsterdam, dus is de kans niet geheel denkbeeldig dat hij speciale gast zal zijn. Hanco Kolk, ontwerper van de flyer, zal er in ieder geval ook zijn, evenals Jose Luis Garcia Lechner, die het blauwe portret van Serge maakte. Kom vast in de stemming voor hét feest ter ere van het enfant terrible en provocateur par excellence met Natashka’s online radio Oh-la-la, waar ook meer te lezen is over de film en deze door haar georganiseerde soiree.
Aanvang: 21:00, entree: 10 euro. Adres: Spuistraat 2, Amsterdam.

(Island / Universal)

Jon Lawler, voorman van The Fratellis, heeft een nieuw project. Samen met
(jazz)zangeres Lou Hickey vormt hij Codeine Velvet Club. Een naam waar je
iets aparts bij verwacht en dat is het ook. Het gelijknamige album grijpt
terug naar het midden van de vorige eeuw. Bigbandjazz, zwarte romantiek en
orkestrale pop. Van donkere duetten tot swingende dansnummers. De zuivere
en dynamische zang van Hickey staat in mooi contrast met de monotone stem
van Lawler. Bij het luisteren van Codeine Velvet Club waan je je in
Hollywood of op Broadway zoals we dat kennen uit het zwart-wit tijdperk.
Rokerige nachtclubs met mannen in zwarte pakken en gracieuze
dames.
Natuurlijk is het niet alleen maar muziek uit vroeger tijden. Het tempo ligt veelal hoger dan in de jonge jaren van Sinatra en de gitaren klinken hier en daar ook een stuk steviger. De blazerssectie heeft een voorname rol en is voor het merendeel verantwoordelijk voor het showbandgeluid van deze formatie. Daarnaast raken de violisten de juiste snaar wanneer het gaat om het filmische drama. Lawler en Hickey hebben een stel uitstekende muzikanten om zich heen verzameld. Na het weinig succesvolle tweede album van The Fratellis leeft Jon Lawler met dit project, mede dankzij Lou Hickey, weer helemaal op. Hij mag trots zijn op Codeine Velvet Club. Het is geen vernieuwende plaat, maar dat lijkt ook nooit de bedoeling te zijn geweest. Dit project bewijst dat Lawler op z’n best is wanneer hij een stap vooruit gaat, zonder het verleden te vergeten.
Natuurlijk is het niet alleen maar muziek uit vroeger tijden. Het tempo ligt veelal hoger dan in de jonge jaren van Sinatra en de gitaren klinken hier en daar ook een stuk steviger. De blazerssectie heeft een voorname rol en is voor het merendeel verantwoordelijk voor het showbandgeluid van deze formatie. Daarnaast raken de violisten de juiste snaar wanneer het gaat om het filmische drama. Lawler en Hickey hebben een stel uitstekende muzikanten om zich heen verzameld. Na het weinig succesvolle tweede album van The Fratellis leeft Jon Lawler met dit project, mede dankzij Lou Hickey, weer helemaal op. Hij mag trots zijn op Codeine Velvet Club. Het is geen vernieuwende plaat, maar dat lijkt ook nooit de bedoeling te zijn geweest. Dit project bewijst dat Lawler op z’n best is wanneer hij een stap vooruit gaat, zonder het verleden te vergeten.
Massive Attack - Heligoland
(Virgin)
12-02-2010 00:00

Massive Attack, Tricky en Portishead maakten eind jaren ’80 in
Bristol geschiedenis door rock, dance, reggae en hiphop te mixen tot een
lome groove. Een nieuw genre was geboren: triphop. Terwijl Tricky geregeld
nieuwe platen aflevert, doet Massive Attack het wat kalmer aan. Wat bleef
het lang stil na het meesterlijke Mezzanine (1998). De stilte bleek
na wat zoekwerk simpelweg onoplettendheid: tussendoor maakten ze nog een
studioalbum, een ‘best of’ en een filmsoundtrack. Onder de
radar gebleven dus, maar nu zijn Robert del Naja en Grant Marshall terug
aan het front met een prachtige opvolger van Mezzanine. Misschien
net niet zo indrukwekkend, maar dichtbij komen ze wel. Het donkere
openingsnummer Pray For Rain waar Tunde Adepimbe (zanger van TV On
The Radio) overheen mijmert, is met zijn donkere pianogrooves meteen een
van de mooiste nummers.
Helaas geen Liz Fraser meer; nu worden enkele nummers gezongen door Martina Topley Bird, bekend van Tricky’s debuutplaat Maxinquaie. Een knaller als de single Teardrop met Liz Frasers engelenstem is moeilijk te evenaren, maar Topley Bird is vooral in Psyche ook erg sterk. De Jamaicaanse reggaezanger Horace Andy is eveneens weer van de partij op Girl I Love You, een donker opzwepend nummer dat qua sfeer en Turkse groove erg aan Inertia Creeps (van Mezzanine) doet denken. Plots doet een blaasorkest zijn intrede en voert het nummer naar een climax. Het minste nummer is Paradise Circus, gezongen door Hope Sandoval, de sexy fluisterdame bekend van Mazzy Star. Ze mist hier de zeggingskracht van Topley Bird en de compositie is daarnaast ook niet zo memorabel. Damon Albarn (ex-frontman van Blur) laat zich van een andere kan zien dan we van hem gewend waren in Saturday Come Slow, waar hij zich wanhopig afvraagt “Do you love me?”. We kunnen hem geruststellen met een volmondig ja. Heligoland is een fijne veelzijdige plaat die vermoedelijk wel een tijdje mee zal gaan. Luister een paar tracks op MySpace.
Helaas geen Liz Fraser meer; nu worden enkele nummers gezongen door Martina Topley Bird, bekend van Tricky’s debuutplaat Maxinquaie. Een knaller als de single Teardrop met Liz Frasers engelenstem is moeilijk te evenaren, maar Topley Bird is vooral in Psyche ook erg sterk. De Jamaicaanse reggaezanger Horace Andy is eveneens weer van de partij op Girl I Love You, een donker opzwepend nummer dat qua sfeer en Turkse groove erg aan Inertia Creeps (van Mezzanine) doet denken. Plots doet een blaasorkest zijn intrede en voert het nummer naar een climax. Het minste nummer is Paradise Circus, gezongen door Hope Sandoval, de sexy fluisterdame bekend van Mazzy Star. Ze mist hier de zeggingskracht van Topley Bird en de compositie is daarnaast ook niet zo memorabel. Damon Albarn (ex-frontman van Blur) laat zich van een andere kan zien dan we van hem gewend waren in Saturday Come Slow, waar hij zich wanhopig afvraagt “Do you love me?”. We kunnen hem geruststellen met een volmondig ja. Heligoland is een fijne veelzijdige plaat die vermoedelijk wel een tijdje mee zal gaan. Luister een paar tracks op MySpace.
(Indie/Petting Zoo)
10-02-2010 17:00

Er is niets behaaglijks aan Blackjazz, de vijfde cd van de Noorse
band Shining. Alles klinkt schel, fel en hard; dit is muziek gemaakt om te
overdonderen. Shining is een jazzgroep die heel overtuigend de kant van de
metal heeft gekozen. De elektrische gitaren, de saxofoons én de
synthesizers knallen uit de speakers om bijna onherkenbaar samen te komen
in monstrueuze riffs. De complexe ritmes, strakke arrangementen en
razendsnelle passages doen denken aan eerdere metal-jazz-crossovers als
John Zorns Naked City en Special Defects, het project van
Meshuggah-gitarist Fredrik Thordendal. Anders dan bij de meeste jazz ligt
de nadruk niet op solo's; in plaats daarvan stapelt de groep laag op laag
en bereikt daarmee bij elk nummer een bijna ondraaglijk, topzwaar
hoogtepunt.
De vier musici uit Oslo presenteerden zich voorheen als typische muziekschoolvirtuozen in studentikoos outfit. Tegenwoordig komen ze volledig in het zwart het podium op. De subtiele post-jazz uit hun begintijd is van het repertoire geschrapt. Shining is op het donkere pad beland door metalbands als Enslaved, waarmee tijdens toernees het podium gedeeld werd. Zanger Grutle Kjellson van Enslaved zingt mee op Blackjazz. De King Crimson-cover '21st Century Schizoid Man' slaat de spijker op zijn kop; net als het veertig jaar oude origineel confronteert Shining de luisteraar op brute wijze met de zelfkant van de samenleving. Dan is er de fascinatie voor black metal; Shining laat de kerkverbrandingen en de moorden die het genre berucht maakten achterwege en integreert alleen de muzikale extremiteiten, zoals gorgelende krijsstemmen en stampende gitaar- en synthesizerriffs.
Shining kiest in alles de overtreffende trap. In plaats van melodieën wordt de luisteraar overstelpt met het geluid van loeiende sirenes, hysterische menigtes en overbelaste instrumenten. Producer Sean Beavan (Slayer, Nine Inch Nails) gaf Blackjazz een typische eigentijdse metalsound, waarbij alle klanken naar het hoogste niveau zijn opgedrukt. Metal is altijd op zoek naar nog extremere varianten en het is verrassend dat juist een jazzgroep een geslaagde poging doet om het genre een schop vooruit te geven.
Shining speelt 15 en 17 april 2010 op het Roadburn Festival in 013, Tilburg (17 april samen met Enslaved) en 18 april in Vera, Groningen.
De vier musici uit Oslo presenteerden zich voorheen als typische muziekschoolvirtuozen in studentikoos outfit. Tegenwoordig komen ze volledig in het zwart het podium op. De subtiele post-jazz uit hun begintijd is van het repertoire geschrapt. Shining is op het donkere pad beland door metalbands als Enslaved, waarmee tijdens toernees het podium gedeeld werd. Zanger Grutle Kjellson van Enslaved zingt mee op Blackjazz. De King Crimson-cover '21st Century Schizoid Man' slaat de spijker op zijn kop; net als het veertig jaar oude origineel confronteert Shining de luisteraar op brute wijze met de zelfkant van de samenleving. Dan is er de fascinatie voor black metal; Shining laat de kerkverbrandingen en de moorden die het genre berucht maakten achterwege en integreert alleen de muzikale extremiteiten, zoals gorgelende krijsstemmen en stampende gitaar- en synthesizerriffs.
Shining kiest in alles de overtreffende trap. In plaats van melodieën wordt de luisteraar overstelpt met het geluid van loeiende sirenes, hysterische menigtes en overbelaste instrumenten. Producer Sean Beavan (Slayer, Nine Inch Nails) gaf Blackjazz een typische eigentijdse metalsound, waarbij alle klanken naar het hoogste niveau zijn opgedrukt. Metal is altijd op zoek naar nog extremere varianten en het is verrassend dat juist een jazzgroep een geslaagde poging doet om het genre een schop vooruit te geven.
Shining speelt 15 en 17 april 2010 op het Roadburn Festival in 013, Tilburg (17 april samen met Enslaved) en 18 april in Vera, Groningen.

Midlake - The Courage of Others
(Bella Union)

Midlake is met deze nieuwe plaat een andere weg ingeslagen. De warme
dromerige sfeer van het succesvolle The trials of Van Occupanther
(2006) heeft plaats gemaakt voor een somberder geluid en een trager tempo.
Geen piano? Nauwelijks, alleen in het intro van het laatste nummer. De vijf
Texanen waren het volle up-tempo geluid na het eindeloos live spelen van
The Trials helemaal beu, viel onlangs te lezen in een interview door Menno Pot in de Volkskrant. Niet in
herhaling vervallen is natuurlijk een goed streven, mits je er iets even
goeds voor in de plaats kunt zetten. Helaas is dat niet helemaal gelukt:
het unieke Midlakegeluid is wat verwaterd, al is de seventiessfeer
gebleven. Het geheel lijkt nu net iets te veel op andere Amerikaanse
baardmannen die gevoelige folkrock spelen, zoals Fleet Foxes, Iron and
Wine, Yim Yames en Songs Ohia. Dat komt vooral door de vele sobere passages
met door elkaar heen tokkelende gitaren en onveranderlijk trieste
zangpartijen, iets waar het toch lastig is je mee te onderscheiden. Zanger
Tim Smith verzucht in het titelnummer: “I will never have the courage
of others. I will never approach you at all. I always start to worry about
things, or the many things you can’t control”.
Echte uitschieters als Roscoe of Young Bride die The Trials zo memorabel maakten staan er niet op. Het is heel vakkundig in elkaar gezet allemaal, maar het is net niet genoeg: geen kippenvel. Echo’s van Britse folkies uit de seventies als Fairport Convention zijn als vanouds te horen, maar dan met een donkere wolk erboven. Een van de mooiste nummers, Rulers, Ruling All Things, klinkt wel erg als Sandy Denny. Lichtpuntje is de dwarsfluit, die typisch Midlake is en gelukkig mocht blijven want die is toch wel erg fijn. Met de dynamiek zit het wel goed: naast de sobere passages pakken ze regelmatig uit met een energiek scheurend bandgeluid, inclusief kenmerkende samenzang, al ligt dat laatste er iets minder dik bovenop. Maar de eindindruk blijft toch een lichte teleurstelling na misschien wat te hoge verwachtingen. Oordeel zelf en beluister een paar nummers op MySpace
Echte uitschieters als Roscoe of Young Bride die The Trials zo memorabel maakten staan er niet op. Het is heel vakkundig in elkaar gezet allemaal, maar het is net niet genoeg: geen kippenvel. Echo’s van Britse folkies uit de seventies als Fairport Convention zijn als vanouds te horen, maar dan met een donkere wolk erboven. Een van de mooiste nummers, Rulers, Ruling All Things, klinkt wel erg als Sandy Denny. Lichtpuntje is de dwarsfluit, die typisch Midlake is en gelukkig mocht blijven want die is toch wel erg fijn. Met de dynamiek zit het wel goed: naast de sobere passages pakken ze regelmatig uit met een energiek scheurend bandgeluid, inclusief kenmerkende samenzang, al ligt dat laatste er iets minder dik bovenop. Maar de eindindruk blijft toch een lichte teleurstelling na misschien wat te hoge verwachtingen. Oordeel zelf en beluister een paar nummers op MySpace
La BrassBanda - Übersee
(Trikont - De Konkurrent)

Deze funky brassband brengt Balkan-swing, pop en dubritmes bij elkaar tot
ideale feestmuziek. De vijf vrienden uit Beieren krijgen elk gezelschap
moeiteloos aan het dansen en niet alleen in de Bierkeller. Ze
bestaan pas sinds 2007 en hebben al heel wat afgetoerd langs Europese clubs
en festivals. Met rock, jazz, hiphop, dub en techno-invloeden klinkt hun
versie van volksmuziek namelijk alles behalve oubollig. In plaats van tegen
Britse of Amerikaanse voorbeelden aan te schurken, zoals al meer dan genoeg
bands doen, pronken ze gestoken in Lederhosen en gebreide mutsjes
met hun Beierse afkomst. Maar wel met een knipoog. In een video op YouTube stapelen ze hun versterkers, drums,
tuba’s en andere toeters op een sleetje in een pittoresk
Alpenlandschap. Übersee is dus off-beat in meerdere opzichten.
De Zuid-Duitse teksten met rollende erren zijn wel lastig te volgen. Het
lijkt soms amper meer op Duits, maar zo erg is dat niet. Het plezier komt
wel over.
“Geh zur Haustür nei, s'is erst hoibe drei. Im flur da riach i scho dass jemand raucht. Du hast an Nachbarn da, er hod mein Bademantel o. A da wer i dann oiso nimmer braucht”. De liedjes zijn vrij simpel van opzet en zouden met een standaard rockbandbezetting nauwelijks iemand opgevallen zijn. Maar deze crossover is hun gouden vondst geweest, die ze uit zullen melken tot iedereen uitgefeest is. Verbeter uw humeur en beluister ze zelf op MySpace.
“Geh zur Haustür nei, s'is erst hoibe drei. Im flur da riach i scho dass jemand raucht. Du hast an Nachbarn da, er hod mein Bademantel o. A da wer i dann oiso nimmer braucht”. De liedjes zijn vrij simpel van opzet en zouden met een standaard rockbandbezetting nauwelijks iemand opgevallen zijn. Maar deze crossover is hun gouden vondst geweest, die ze uit zullen melken tot iedereen uitgefeest is. Verbeter uw humeur en beluister ze zelf op MySpace.

Vic Chesnutt is niet meer
27-12-2009 00:00
Donderdag 24 december raakte Vic Chesnutt na een overdosis spierverslappers
in coma en stierf een dag later in een ziekenhuis in Athens, Georgia. Het
nieuws verspreidde zich kerstavond via twitterberichten van zijn beste
vriendin Kristin Hersh. Hij was een markante persoonlijkheid en een
ongeremd eerlijke en unieke zanger-gitarist. Vanaf 1990 bracht hij veertien
platen uit vol rauwe poëzie en scherpzinnige observaties. Een
ongekende prestatie voor iemand die al vroeg in een rolstoel belandde na
drunk driving en z’n handen maar beperkt kon gebruiken. Dit jaar
nog verscheen de plaat At the cut. Hij stond altijd al bekend om
zijn zwartgallige zelfreflectie. Maar een flinke scheut humor maakte zijn
liedjes zelden te zwaar op de hand.
At the cut lijkt zijn schaduw vooruit geworpen te hebben. Hier leek hij al nauwelijks meer in staat met ironie zijn depressieve kant tegenspel te bieden. In het eerste nummer Coward schreeuwt hij wanhopig: “I am a coward”. In It is what it is zucht hij: “I am a monster like Quasimodo. Maar in Flirted with you all my life is er ook twijfel: “When you touched a friend of mine, I thought that I would lose my mind. But I found out with time that really I was not ready. Oh death, oh death, really I am not ready.” Zijn zwakke gezondheid en daaruit voortvloeiende geldproblemen zullen ongetwijfeld een rol hebben gespeeld bij zijn uit het leven stappen. In ’96 namen grote bands als Smashing Pumpkins, Garbage en REM nog een benefietplaat vol covers van zijn liedjes op om zijn medische kosten tegemoet te komen: Sweet Relief II, Gravity of the situation. Ziek zijn is geen pretje, maar in de VS al helemaal niet. Hopelijk kan Obama nu echt die hervormingen doordrukken. Dat zal een hoop toekomstig leed voorkomen.
At the cut lijkt zijn schaduw vooruit geworpen te hebben. Hier leek hij al nauwelijks meer in staat met ironie zijn depressieve kant tegenspel te bieden. In het eerste nummer Coward schreeuwt hij wanhopig: “I am a coward”. In It is what it is zucht hij: “I am a monster like Quasimodo. Maar in Flirted with you all my life is er ook twijfel: “When you touched a friend of mine, I thought that I would lose my mind. But I found out with time that really I was not ready. Oh death, oh death, really I am not ready.” Zijn zwakke gezondheid en daaruit voortvloeiende geldproblemen zullen ongetwijfeld een rol hebben gespeeld bij zijn uit het leven stappen. In ’96 namen grote bands als Smashing Pumpkins, Garbage en REM nog een benefietplaat vol covers van zijn liedjes op om zijn medische kosten tegemoet te komen: Sweet Relief II, Gravity of the situation. Ziek zijn is geen pretje, maar in de VS al helemaal niet. Hopelijk kan Obama nu echt die hervormingen doordrukken. Dat zal een hoop toekomstig leed voorkomen.

James Pants - Seven Seals
(Stones Throw)

Seven Seals is het tweede album van James Singleton uit Spokane,
Washington. Zoals wel meer solo-studioknutselaars doen, mixt hij
verschillende stijlen en sferen: kitchy synthesizers, rauwe gitaren, groovy
funk, jaren ’80 hip-hop, elektrobliepjes, live drums, disco en
soul-zang. Op zijn debuut Welcome viel zijn talent om een heel eigen
sfeer neer te zetten al op, maar het album bevatte helaas nog iets te veel
eentonig doorbeukende nummers. James is duidelijk gegroeid. Seven
Seals is een stuk afwisselender, complexer en meer rock & roll. De
nummers zitten een stuk beter in elkaar en er staat geen enkel minder
nummer op. Hij gebruikt nogal gedateerde synthesizergeluiden zonder dat het
goedkoop scoren wordt (retro is niet per definitie hip). Hij strijkt tegen
de haren van de goede smaak in, maar wel op een erg prettige manier.
Multi-instrumentalist Pants beweert de plaat onder invloed van mystieke
literatuur opgenomen te hebben. Dat verklaart de occulte
tekeningen op het hoesje misschien wel, maar de muziek klinkt verre van
occult. Het eerste nummer mag dan beginnen met een repeterend “The
eyes of the Lord are above you today”, de ironie druipt er vanaf en
als er voor iets geen plaats is in occultisme is het wel humor.
Hij zegt wel in de stemming te zijn om een sekte te beginnen en ziet de plaat als een soundtrack voor dit doel. Lollige promopraat natuurlijk, interessantdoenerij. Tenzij hij met sekte een trouwe schare fans bedoelt, want dat zou met deze plaat wel moeten lukken. De single Thin Moon is erg catchy en grappig. “Oh oh, I did it again. I made a move on a friend...” En dan? De grotendeels onverstaanbare teksten zijn wel een klein minpuntje. Not me slaat u om de oren met beukende drums en noisegitaren, maar slaat halverwege een totaal andere weg in. Het hip-hop liefdesliedje I saw you doet denken aan de funky jazzrock van Icy Demons en is al even sterk. Simpel en effectief is het devies, met een lekkere beat als basis. Het versierderige Now, let me brush you had ook door het kolderieke duo Flight of the Conchords geschreven kunnen zijn. Wash to sea heeft een fijne jazzy sax. Seven Seals is verplichte kost voor wie ook Aluminum Group, Icy Demons, Simon Bookish of Prefuse 73 in de kast heeft. Beluister hem zelf op MySpace.
Hij zegt wel in de stemming te zijn om een sekte te beginnen en ziet de plaat als een soundtrack voor dit doel. Lollige promopraat natuurlijk, interessantdoenerij. Tenzij hij met sekte een trouwe schare fans bedoelt, want dat zou met deze plaat wel moeten lukken. De single Thin Moon is erg catchy en grappig. “Oh oh, I did it again. I made a move on a friend...” En dan? De grotendeels onverstaanbare teksten zijn wel een klein minpuntje. Not me slaat u om de oren met beukende drums en noisegitaren, maar slaat halverwege een totaal andere weg in. Het hip-hop liefdesliedje I saw you doet denken aan de funky jazzrock van Icy Demons en is al even sterk. Simpel en effectief is het devies, met een lekkere beat als basis. Het versierderige Now, let me brush you had ook door het kolderieke duo Flight of the Conchords geschreven kunnen zijn. Wash to sea heeft een fijne jazzy sax. Seven Seals is verplichte kost voor wie ook Aluminum Group, Icy Demons, Simon Bookish of Prefuse 73 in de kast heeft. Beluister hem zelf op MySpace.

Video: Een dagje Abbey Road

Op een warme dag in augustus in het jaar 1969 poseerden The Beatles op het zebrapad vlakbij de EMI studio's aan Abbey Road voor de gelijknamige hoes van hun laatste album. Sindsdien komen fans van over de hele wereld naar deze historische plek in de popmuziek om zichzelf te laten fotograferen op het zebrapad.
-Michael Minneboo
(Fantomette Records / Clear Spot)

Saxofoniste-zangeres Jessie Evans nam deze plaat deels op in haar
thuishaven Berlijn en deels in Mexico. Ze speelde voorheen in bands die
binnen de punk, goth, new wave en garage opereerden, zoals Subtonix en The
Vanishing. Ze noemt Is it Fire? haar eerste soloproject, maar laten
we dat met een korrel zout nemen: drummer Toby Dammit (Swans, Iggy Pop)
speelt ook mee, samen met Martin Wenk (Calexico), Namosh en Budgie
(Siouxsie & The Banshees). Haar stem heeft in enkele nummers
(toevallig?) ook veel weg van de hese zwoel-zingende diva Siouxsie Sioux.
In elk nummer vormt een feestelijk en opzwepend ritme de basis. Exotische
elementen in overvloed: Afro-beats, Zuid-Amerikaanse blazers en Turkse
percussie. Trekharmonica, Hammond orgel en Spaanstalige teksten maken van
Niños del Espacio een van de betere nummers. De electrobeats
in Class Magic zijn wel wat gewoontjes. De Mexicaanse sfeer die de
trompet in Blood & Silver neerzet is samen met de Spaanstalige
zang best aardig, maar de nummers hebben vaak te weinig dynamiek om de
aandacht vast te houden. Sax en trompet kleuren netjes binnen lijntjes van
de beats.
Evans spiegelt zich aan uitdagende femme fatales als Betty Page (net als Messer Chups doet) en het decadente vooroorlogse Berlijn. De vele extravagante foto’s op MySpace maken duidelijk dat ze meer in een sexy uitstraling en hippe styling geïnteresseerd is dan in goeie liedjes schrijven. Op het nachtclub-podium komt ze daar wel mee weg. Maar op cd, waar ze haar fysiek niet in de strijd kan gooien, valt ze toch door de mand. Want uitdagend wil deze plaat maar niet worden. Haar saxofoonspel is te beperkt en haar zang mist het charisma dat Siouxsie wél heeft. Sommige tracks lijken gehaast al jammend in elkaar gezet. De teksten zinken regelmatig wat weg in de mix en zijn dan slecht verstaanbaar. Misschien met opzet? Dat het vooral over verleiding en liefde gaat komt wel over, zoals in Let me on: “You know my love is true”... waarna er nog een onvolgbare zin volgt die eindigt op “you”. Rijmen is ook best moeilijk, toch? Het laatste nummer To the Sun is met meer dan 9 minuten hypnotiserende beats en duistere chants het meest genietbaar. Hier laat ze zien dat ze met die sax best meer kan, als ze zichzelf maar de ruimte geeft.
Evans spiegelt zich aan uitdagende femme fatales als Betty Page (net als Messer Chups doet) en het decadente vooroorlogse Berlijn. De vele extravagante foto’s op MySpace maken duidelijk dat ze meer in een sexy uitstraling en hippe styling geïnteresseerd is dan in goeie liedjes schrijven. Op het nachtclub-podium komt ze daar wel mee weg. Maar op cd, waar ze haar fysiek niet in de strijd kan gooien, valt ze toch door de mand. Want uitdagend wil deze plaat maar niet worden. Haar saxofoonspel is te beperkt en haar zang mist het charisma dat Siouxsie wél heeft. Sommige tracks lijken gehaast al jammend in elkaar gezet. De teksten zinken regelmatig wat weg in de mix en zijn dan slecht verstaanbaar. Misschien met opzet? Dat het vooral over verleiding en liefde gaat komt wel over, zoals in Let me on: “You know my love is true”... waarna er nog een onvolgbare zin volgt die eindigt op “you”. Rijmen is ook best moeilijk, toch? Het laatste nummer To the Sun is met meer dan 9 minuten hypnotiserende beats en duistere chants het meest genietbaar. Hier laat ze zien dat ze met die sax best meer kan, als ze zichzelf maar de ruimte geeft.

(Rune Grammofon/Konkurrent)

Of u nou van jazz of rock houdt, u haakt waarschijnlijk af zodra u het
woord jazzrock hoort. Wat begin jaren zeventig nog best cool was, met
platen als 'Live Evil' (Miles Davis) of 'Spaces' (Larry Coryell), werd
later verpest door virtuoze sessiemuzikanten met fretloze bassen en
zuurstokkleurige synthesizergitaren. Niets hiervan treft u aan bij het
Zweedse trio Fire!, dat al improviserend jazz en rock mengt met punk,
psychedelica en dub.
De drie heren hangen niet de blits uit met snelle solo's, maar vullen elkaar voortdurend aan. Hierdoor veranderen hun lange improvisaties geleidelijk van vorm, op een logische, natuurlijke manier. De cd 'You Liked Me Five Minutes Ago' opent met een opgewekte contrabas-groove, die opgaat in een raspende saxofoonsolo. Bandlid Mats Gustafsson bevestigt opnieuw zijn reputatie als een krachtige experimentele tenor- en baritonsaxofonist in de traditie van de Duitse freejazz-pionier Peter 'Machine Gun' Brötzmann.
De tweede track 'But Sometimes I Am...' begint traag en slepend. De minimale begeleiding van Johan Berthling op contrabas en Andreas Werliin op slagwerk is net genoeg aanwezig om spanning op te bouwen, zodat Gustafsson zijn verhaal kan doen. Na acht minuten vult gastzangeres Miriam Wallentin de muziek subtiel aan met woordloze vocalen. Emotionele powerjazz transformeert in doordenderende krautrock, mede doordat Berthling en Gustafsson op respectievelijk Hammondorgel en elektrische piano overschakelen.
Naarmate de cd vordert klinkt hij steeds zwaarder. 'Can I Hold You For A Minute' heeft wel wat weg van de stoner-prog van het Finse Circle of het Japanse Acid Mothers Temple, maar dan zonder de gitaren. Het titelnummer, waarmee de cd eindigt, biedt verlichting met zijn quasi-houterige ritme.
De Scandinavische improvisatiescene kent heel wat eigenwijze projecten op het snijvlak van jazz en rock; Berthling speelt bijvoorbeeld in Tape en Gustafsson speelde met The Thing, in The Original Silence met Thurston Moore en als gastsolist bij het Italiaanse Zu. Fire! is weer zo'n gelukkige samenkomst van vrije geesten, die in dit geval op bijna telepathische wijze met elkaar communiceren.
De drie heren hangen niet de blits uit met snelle solo's, maar vullen elkaar voortdurend aan. Hierdoor veranderen hun lange improvisaties geleidelijk van vorm, op een logische, natuurlijke manier. De cd 'You Liked Me Five Minutes Ago' opent met een opgewekte contrabas-groove, die opgaat in een raspende saxofoonsolo. Bandlid Mats Gustafsson bevestigt opnieuw zijn reputatie als een krachtige experimentele tenor- en baritonsaxofonist in de traditie van de Duitse freejazz-pionier Peter 'Machine Gun' Brötzmann.
De tweede track 'But Sometimes I Am...' begint traag en slepend. De minimale begeleiding van Johan Berthling op contrabas en Andreas Werliin op slagwerk is net genoeg aanwezig om spanning op te bouwen, zodat Gustafsson zijn verhaal kan doen. Na acht minuten vult gastzangeres Miriam Wallentin de muziek subtiel aan met woordloze vocalen. Emotionele powerjazz transformeert in doordenderende krautrock, mede doordat Berthling en Gustafsson op respectievelijk Hammondorgel en elektrische piano overschakelen.
Naarmate de cd vordert klinkt hij steeds zwaarder. 'Can I Hold You For A Minute' heeft wel wat weg van de stoner-prog van het Finse Circle of het Japanse Acid Mothers Temple, maar dan zonder de gitaren. Het titelnummer, waarmee de cd eindigt, biedt verlichting met zijn quasi-houterige ritme.
De Scandinavische improvisatiescene kent heel wat eigenwijze projecten op het snijvlak van jazz en rock; Berthling speelt bijvoorbeeld in Tape en Gustafsson speelde met The Thing, in The Original Silence met Thurston Moore en als gastsolist bij het Italiaanse Zu. Fire! is weer zo'n gelukkige samenkomst van vrije geesten, die in dit geval op bijna telepathische wijze met elkaar communiceren.
Guano Padano - z/t
(Important Records / Bertus)

Het eerste nummer van dit Italiaanse trio gaat erin als koek met een lekker
surfgitaartje en een dampend potje bluesrock, niks aan de hand... tot na
anderhalve minuut een gierende piepknor-saxofoonsolo en anarchistische
orgelbliepjes zich er brutaal tussen wringen. Gefopt! Dit is geen doornsee
surfgroepje. En Alessandro Stefana, Danilo Gallo en Zeno de Rossi blijven
verrassen, elk nummer weer. De basis van drums, gitaar en contrabas klinkt
op zich al goed, maar elk nummer voegen ze weer iets nieuws toe, zoals
banjo, steelguitar, vibrafoon en piano. Wel elf gastmuzikanten zorgen voor
bijdragen, zoals orgel, trompet, klarinet en viool. Trompettist Riccardo
Pittau geeft Danny Boy een Spaans tintje.
Alessandro Alessandroni (van de Ennio Morricone soundtracks) is te gast om met zijn beroemde gefluit over het nummer El Divino een westernsausje te gieten. Gary Lucas (ex-gitarist van Captain Beefheart en Jeff Buckley) speelt mee op A Country Concept, een traag broeierig nummer dat perfect bij een film van David Lynch zou passen. Bull Buster galoppeert voorbij als een rodeostier, waarna Bobby Solo een cover van Hank Williams’ Ramblin’ Man zingt. Het bij elkaar brengen van al dat talent heeft een erg gevarieerde plaat opgeleverd die met elke luisterbeurt groeit omdat je in de rijke arrangementen telkens weer iets nieuws ontdekt. Er is een jaar of twee aan de plaat gesleuteld en dat is te horen ook. Guano Padano heeft de ideale soundtrack gemaakt voor een zonovergoten roadmovie die u van de stoffige vlakten van Zuid-Italië helemaal naar Louisiana voert.
Alessandro Alessandroni (van de Ennio Morricone soundtracks) is te gast om met zijn beroemde gefluit over het nummer El Divino een westernsausje te gieten. Gary Lucas (ex-gitarist van Captain Beefheart en Jeff Buckley) speelt mee op A Country Concept, een traag broeierig nummer dat perfect bij een film van David Lynch zou passen. Bull Buster galoppeert voorbij als een rodeostier, waarna Bobby Solo een cover van Hank Williams’ Ramblin’ Man zingt. Het bij elkaar brengen van al dat talent heeft een erg gevarieerde plaat opgeleverd die met elke luisterbeurt groeit omdat je in de rijke arrangementen telkens weer iets nieuws ontdekt. Er is een jaar of twee aan de plaat gesleuteld en dat is te horen ook. Guano Padano heeft de ideale soundtrack gemaakt voor een zonovergoten roadmovie die u van de stoffige vlakten van Zuid-Italië helemaal naar Louisiana voert.
Holy Sons - Criminal’s Return
(Important Records / Bertus)

Holy Sons is een eenmansband uit Portland, Oregon. Emil Amos gebruikt het
als vehikel om zijn frustraties en teleurstellingen van zich af te zingen
en spelen. En dat is maar goed ook: beter therapeutisch herrie maken dan om
je heen gaan schieten in één of andere school. Dat is aardig
gelukt: zelden is zoveel bitterheid op cd vastgelegd. From now on
zet meteen de toon: “Every night is a wasted chance to change.
It’s too late to be sorry, too late to be sweet to me”. U bent
gewaarschuwd: van deze plaat wordt u niet blij. Hoewel, op MySpace schrijft
een vrouwelijke fan hem dat zijn muziek voor haar een geweldige steun is
geweest. Daar zit wel wat in: als je je klote voelt hoef je alleen maar
naar Amos’ geweeklaag te luisteren om je te realiseren dat het
allemaal echt veel erger kan.
Ondertussen is Criminal’s Return zeker geen slechte plaat. Hij speelde alles zelf in (toetsen, gitaar, drums), behalve de viool. In I’m Surrounded roept hij een nogal claustrofobische sfeer op en klinkt hij een beetje als Bill Callahan (Smog). Arranged Release is een fijn stukje progrock in hippy-seventies sfeer. Opzwepende rocknummers maken kan hij wel. De Afghan Whigs-achtige slidegitaar in Thorns mag er ook wezen. Maar het beste bewaart hij voor het laatst: Criminal’s Return part 2 heeft erg fijn orgelspel, waar de eenzame studiocowboy paardengehinnik doorheen gesampled heeft. Donkere muziek hoeft niet per se zwaar op de hand te zijn: als hij het gevoel voor humor van bijvoorbeeld Nick Cave of Will Oldham had gehad, zou het beter te doen zijn geweest. Maar relativering, daar doet Amos niet aan. In Cruel + Unusual mijmert hij: “I crane my neck against my will. If life is dark comedy, it mocks me still”. Tja, als je niet de spot met jezelf kunt drijven, dan moet het leven het maar voor je doen. Holy Sons brengt puur en ongezoete Weltschmerz voor iedereen die Black Heart Procession of Swans opzet tijdens een romantisch diner.
Ondertussen is Criminal’s Return zeker geen slechte plaat. Hij speelde alles zelf in (toetsen, gitaar, drums), behalve de viool. In I’m Surrounded roept hij een nogal claustrofobische sfeer op en klinkt hij een beetje als Bill Callahan (Smog). Arranged Release is een fijn stukje progrock in hippy-seventies sfeer. Opzwepende rocknummers maken kan hij wel. De Afghan Whigs-achtige slidegitaar in Thorns mag er ook wezen. Maar het beste bewaart hij voor het laatst: Criminal’s Return part 2 heeft erg fijn orgelspel, waar de eenzame studiocowboy paardengehinnik doorheen gesampled heeft. Donkere muziek hoeft niet per se zwaar op de hand te zijn: als hij het gevoel voor humor van bijvoorbeeld Nick Cave of Will Oldham had gehad, zou het beter te doen zijn geweest. Maar relativering, daar doet Amos niet aan. In Cruel + Unusual mijmert hij: “I crane my neck against my will. If life is dark comedy, it mocks me still”. Tja, als je niet de spot met jezelf kunt drijven, dan moet het leven het maar voor je doen. Holy Sons brengt puur en ongezoete Weltschmerz voor iedereen die Black Heart Procession of Swans opzet tijdens een romantisch diner.
Nieuwe platen ontdekken gaat tegenwoordig wel héél erg makkelijk
Hoe makkelijk dat gaat lees je in deze strip. Om m’n geweten te
sussen heb ik ook maar wat aan promotie van de plaat gedaan. Lees hier
de recensie van What will we be, de nieuwe plaat van Devendra
Banhart.

(Asthmatic Kitty/De Konkurrent)

Singer-songwriter Sufjan Stevens kleedt zijn composities graag aan met
strijkers, fluiten, koren en trompetten. Wie alleen zijn folkrockplaten
kent, krijgt de indruk dat hij erg stijlvast is. Toch heeft hij de
afgelopen negen jaar wel eens wat geëxperimenteerd. Enjoy Your
Rabbit is bijvoorbeeld een serie experimentele, voornamelijk
elektronische instrumentaaltjes. Deze plaat uit 2001 leek in niets op zijn
folky liedjesdebuut A Sun Came. Een vriend bracht hem jaren later op
het idee om het Osso String Quartet klassieke arrangementen te laten maken
op basis van deze stukken. Op The Illinois (2005) speelde het Osso
Quartet namelijk ook al mee, dus dat idee kwam niet helemaal uit de lucht
vallen. Op het Music Now Festival in Cincinatti (2007) voerden zij er vier
stukken van uit. Dat beviel zo goed dat nu ook van de rest van Enjoy
Your Rabbit strijkkwartetinterpretaties zijn gemaakt, gearrangeerd door
diverse componisten van buiten het kwartet.
Op Run Rabbit Run staan dertien stukjes moderne kamermuziek, veelal erg ritmisch en heftig gespeeld. Mooi klinkt het niet altijd, maar wel spannend en soms ook grappig. Voor een strijkkwartet gaat het er behoorlijk ruig aan toe; dissonanten en rauwe klanken worden niet geschuwd. Het omzetten van elektronische geluiden naar live muziek was geen eenvoudige klus. Hoe vertaal je elektronische beats en noise naar viool? Er komt nogal wat woest gekras met strijkstokken voorbij met wat hand-geklop op de cellokast voor de beats. De snelle repetitieve stukken doen soms aan Philip Glass denken (gast-arrangeur Nico Muhly speelde zelf bij Glass).
Elk nummer verwijst naar een dier uit de Chinese dierenriem. Dat nodigt misschien uit tot zoeken naar overeenkomsten tussen de dieren en geluiden. Speelt die pizzicato viool in Year Of The Rat geen getrippel van rattenpootjes? Maar muziek is geen illustratie. Run Rabbit Run is een speels experiment van een innovatief kwartet dat de platgespeelde paden mijdt zonder dat het moeilijke muziek wordt. Een mooie plaat propvol melodische laagjes, maar wel wat vermoeiend om in zijn geheel te beluisteren. Er gebeurt erg veel en rustige passages zijn schaars. Geen muziek om een boek bij te lezen. Year Of The Rat is een welkome adempauze, evenals afsluiter Year of the Lord. Een paar stukjes per keer beluisteren is aan te bevelen. Liefhebbers van Rachel’s, Iva Bittová en Tin Hat kunnen hier zeker wat mee.
Op Run Rabbit Run staan dertien stukjes moderne kamermuziek, veelal erg ritmisch en heftig gespeeld. Mooi klinkt het niet altijd, maar wel spannend en soms ook grappig. Voor een strijkkwartet gaat het er behoorlijk ruig aan toe; dissonanten en rauwe klanken worden niet geschuwd. Het omzetten van elektronische geluiden naar live muziek was geen eenvoudige klus. Hoe vertaal je elektronische beats en noise naar viool? Er komt nogal wat woest gekras met strijkstokken voorbij met wat hand-geklop op de cellokast voor de beats. De snelle repetitieve stukken doen soms aan Philip Glass denken (gast-arrangeur Nico Muhly speelde zelf bij Glass).
Elk nummer verwijst naar een dier uit de Chinese dierenriem. Dat nodigt misschien uit tot zoeken naar overeenkomsten tussen de dieren en geluiden. Speelt die pizzicato viool in Year Of The Rat geen getrippel van rattenpootjes? Maar muziek is geen illustratie. Run Rabbit Run is een speels experiment van een innovatief kwartet dat de platgespeelde paden mijdt zonder dat het moeilijke muziek wordt. Een mooie plaat propvol melodische laagjes, maar wel wat vermoeiend om in zijn geheel te beluisteren. Er gebeurt erg veel en rustige passages zijn schaars. Geen muziek om een boek bij te lezen. Year Of The Rat is een welkome adempauze, evenals afsluiter Year of the Lord. Een paar stukjes per keer beluisteren is aan te bevelen. Liefhebbers van Rachel’s, Iva Bittová en Tin Hat kunnen hier zeker wat mee.
Devendra Banhart - What will we be
(Warner Bros)

De in de VS rondreizende folkzanger uit Caracas maakte in 2002 met zijn
debuut Oh me oh my een verpletterende indruk. Met zijn aan Nick
Drake verwante gitaarstijl liet hij zijn soms bizarre kinderlijke fantasie
de vrije loop. Waar zijn liedjes over gingen was het vaak maar gissen, wat
zijn muziek alleen maar intrigerender maakte. De krakerige home
recordings met dubbel ingezongen teksten waren zelfs een beetje eng
(waren dat echt geweerschoten op de achtergrond?). De mini lp The Black
Babies (2003) was al even geweldig. Anno 2009 is van het mysterie rond
Devendra Banhart weinig meer over. Als vaandeldrager van de psychedelische
freakfolk-scene schoot zijn bekendheid omhoog, gevolgd door veel interviews
en concerten. De dood voor elk mysterie natuurlijk. Het volgende
Rejoicing in the hands (2004) was nog wel een erg mooie verzameling
liedjes. Maar Banhart wilde verder, nieuwe muzikale gebieden verkennen. Dat
leverde nog drie platen vol popliedjes op die stilistisch diverser waren
dan zijn vroegere werk en ook beter opgenomen.
Na drie veelal vrolijke folkpopplaten met af en toe een Spaanstalig nummer, is daar nu What will we be. Goede vraag. Produktief is baardmans zeker, maar de liedjes maken bij lange na niet de indruk van zijn vroegere werk. Je kunt natuurlijk maar één keer verpletterend debuteren, dus de kritiek is misschien wat gratuit. Maar toch, indrukwekkend is zijn nieuwe plaat niet, ook al is hij afwisselender dan ooit. Misschien juist daarom. Op zijn vorige plaat Smokey rolls down thunder canyon experimenteerde hij ook al met meer stijlen. Hier gaat hij nog een stapje verder. Chin Chin & Muck Muck is jazz, Angelica een zoet liefdesliedje, 16th & Valencia, Roxy Music een knipoog naar glamrock, Foolin’ een mopje ska. Is dit lollig bedoeld of weet hij het even niet meer? Of bemoeien andere mensen zich misschien teveel met zijn muziek? Hij is overgestapt van Michael Gira’s label Young God naar Warner Bros. De plaat moet dan ook een groter publiek aanspreken, dus lijkt er voor elk wat wils in de grabbelton gestopt. Dat maakt zijn stilistische uitstapjes tegelijk wel wat vrijblijvend. Het ingetogen Last song for B is wel een van de beste van de veertien liedjes, samen met de zwoele piano-mijmeringen op Maria Lionza. Het artwork is wel weer helemaal geweldig. Zijn tekenkunst is zijn muziek qua originaliteit inmiddels wel voorbij geschoten.
Na drie veelal vrolijke folkpopplaten met af en toe een Spaanstalig nummer, is daar nu What will we be. Goede vraag. Produktief is baardmans zeker, maar de liedjes maken bij lange na niet de indruk van zijn vroegere werk. Je kunt natuurlijk maar één keer verpletterend debuteren, dus de kritiek is misschien wat gratuit. Maar toch, indrukwekkend is zijn nieuwe plaat niet, ook al is hij afwisselender dan ooit. Misschien juist daarom. Op zijn vorige plaat Smokey rolls down thunder canyon experimenteerde hij ook al met meer stijlen. Hier gaat hij nog een stapje verder. Chin Chin & Muck Muck is jazz, Angelica een zoet liefdesliedje, 16th & Valencia, Roxy Music een knipoog naar glamrock, Foolin’ een mopje ska. Is dit lollig bedoeld of weet hij het even niet meer? Of bemoeien andere mensen zich misschien teveel met zijn muziek? Hij is overgestapt van Michael Gira’s label Young God naar Warner Bros. De plaat moet dan ook een groter publiek aanspreken, dus lijkt er voor elk wat wils in de grabbelton gestopt. Dat maakt zijn stilistische uitstapjes tegelijk wel wat vrijblijvend. Het ingetogen Last song for B is wel een van de beste van de veertien liedjes, samen met de zwoele piano-mijmeringen op Maria Lionza. Het artwork is wel weer helemaal geweldig. Zijn tekenkunst is zijn muziek qua originaliteit inmiddels wel voorbij geschoten.
