Peter Moerenhout
Ayako #2, Een familie om van te houden - Osamu Tezuka
*****
(Uitgeverij L)
Osamu Tezuka is een meester. De man is de geestelijke vader van Astroboy en maakte een strip over het leven van de Boeddha waarvan ik dacht dat hij ontiegelijk saai zou zijn, maar waarvan ik de acht (acht!) dikke delen verslonden heb. Met M/W en Ode aan Kirihito bracht hij ook nog twee entertainende verhalen uit vol sociale kritiek op de Japanse maatschappij. Nu schenkt uitgeverij L ons Ayako, een verhaal in 3 delen. Ik wilde aanvankelijk wachten tot het derde deel uit zou zijn om iets te schrijven, maar de eerste twee delen waren zo meeslepend dat ik er niet aan twijfel dat het slotstuk even goed, zo niet beter, zal zijn.

Ayako is een familiekroniek over de familie Tenge. Die familie was voor WOII één van de rijkste families van Japan en bezat gigantische hoeveelheden grond. Na de oorlog werd alles echter anders en werden zij gedwongen om die grond te herverdelen. De Amerikanen, die daar tot 1952 bleven hangen, hadden daar halvelings de hand in en werden daarom door de rijken veracht. Het verhaal begint met de thuiskomst van Jingo Tenge, de middelste zoon van het gezin. Hij keert terug van het slagveld en het zit er al meteen bovenarms op. Vader schaamt zich dat zijn zoon “niet gestorven is voor de eer van de Keizer”. Jingo ontdekt beetje bij beetje, wat er zich allemaal afgespeeld heeft tijdens zijn afwezigheid. En dat blijkt niet niks te zijn; elk gezinslid heeft wel hier of daar een duister geheim. Jiro is aanvankelijk verontwaardigd maar zinkt stilletjesaan toch steeds dieper en dieper weg in het morele moeras dat zijn familie is.

Tezuka verweeft het verhaal lichtjes met de Japanse geschiedenis, La meglio gioventù nog aan toe, en maakt zijn kroniek zo, naast zeer spannend, ook nog op historisch vlak lezenswaardig. De strapatsen van de familie zelf komen soms aardig in de buurt van een soap, maar Tezuka weet zijn personages genoeg diepgang te geven om die valkuil te ontwijken. Het enige wat hij overhoudt van de soap is het enige wat er doorgaans goed aan is: de suspense. Wanneer het verhaal in het tweede deel wat begint uit te doven speelt Tezuka een meesterzet uit: hij begint, op vrij onregelmatige wijze, stappen vooruit te zetten in de tijd: dan eens één jaar, dan weer zes jaar. Tegen dat je als lezer doorhebt hoe de vork in de steel zit, mag je weer van nul beginnen. De vaart die Tezuka daarmee in het boek steekt is ongekend, zeker voor een klopper van 264 pagina’s.

De personages van Tezuka doen zeer tekenfilmachtig aan. Als mensen roepen wordt hun mond groter dan hun hoofd. Tezuka raast hier vervaarlijk dicht tegen de afgrond van de overdrijving aan maar hij weet zijn bolide, dankzij tal van tragische gebeurtenissen, nog net op de baan te houden. Af en toe bouwt de man een rustpunt in in het verhaal waarvoor hij tekeningen gebruikt van de natuur, de huizen van de hoofdrolspelers of details uit het interieur, meestal aan de inleiding of het einde van een hoofdstuk. Deze tekeningen zijn dan weer zeer realistisch en gedetailleerd. Op sommige momenten wisselt hij zelfs enkele keren per bladzijde van stijl. Je zou denken dat dat het verhaal breekt, maar Tezuka weet wat hij doet. Die wisselende tekenstijlen gooien de lezer immers niet uit het verhaal maar maken het, op bepaalde momenten, zelfs zo realistisch dat je er dieper in meegesleurd wordt. Beter dan dat kan ik het niet uitleggen. Uitgeverij L publiceert de drie delen in hoog tempo. Deel 1 en 2 zijn nog maar pas uit en deel 3 verschijnt in juni. Het is de eerste keer in lange tijd dat ik nog eens uitgekeken heb naar een volgend deel van een stripreeks dus ik kan daar alleen maar blij om zijn.

Meer recensies van Peter kunt u lezen op zijn blog.