Bas de Koning
Bear in heaven - I love you, it’s cool
*****
(Dead Oceans / Konkurrent)
Het nieuwe album van Bear in heaven zat al lang in de digitale pijplijn. Letterlijk want de afgelopen weken was het album al integraal via internet te beluisteren, uitgesmeerd over een lengte van 2709 uur. Dit betekent: in de vorm van een lang uitgerekte drone van in totaal 113 dagen die teruggebracht naar normale snelheid I love you, it’s cool vormde. Het zal dus niet verbazen dat elektronica op deze plaat een enorme hoofdrol speelt. Op de voorganger Beast Rest Forth Mouth was nog sprake van futuristische rockmuziek. Bear in heaven blijft stevig leunen op invloeden uit psychedelica en krautrock en stijgt met de eerste tonen van opener Idle heart letterlijk op. Doordat de nadruk op de toetsen ligt, klinkt bandleider, multi-instrumentalist en zanger Jon Philpot een beetje als Green Gartside (van jaren tachtig cult act Scritti Politti).

Bear in heaven bouwt met een wall of sound een massieve soundscape. Het resultaat is tamelijk bombastisch met weinig plek voor stiltes of detail. Beluister Sinful Nature in de Souncloud. En als het al gebeurt, zoals op The Reflection Of You, is het louter voor het effect. Op driekwart van het nummer ijlt Philpot “Dance with me.” , waarna een golf van geluid hem overspoelt. Nummer na nummer echoën de gitaren en zoemt, knort en bromt de synthesizer dat het een lieve lust is. Het slotmummer Space Remains klinkt zoals de titel doet vermoeden. Wie Fisherspooner al plat vond, zal met Bear in heaven geen leuke avond hebben. Maar fans van het Deense Mew zouden deze plaat zeker een kans moeten geven. BIH klinkt iets commerciëler, maar qua geluid zitten beide acts heel dicht bij elkaar. Vol, vet, psychedelisch en luid. Heerlijk.
Bas de Koning
Nite Jewel - One Second Of Love
*****
(Secretly Canadian / Konkurrent)
Je plaat beginnen met de strofe “I’m a broken record/ You have heard this before” getuigt van lef of een enorme zelfkennis. Ramona Gonzalez aka Nite Jewel zit ergens daar tussenin. Meeliftend met het succes van dames zoals Florence & the Machine, Bat for Lashes en Lana del Rey koketteert ook Nite Jewel erg met de chillwave, jaren 80- synthesizers met moderne invloeden en een melancholisch sfeerbeeld. In die zin heb je deze plaat inderdaad al eerder gehoord. Dat neemt niet weg dat met One second of love best een aardige aanvulling op het genre geboden wordt. Ramona’s donkerbruine stemgeluid vloeit op de eerste twee nummers elegant over de synthdeuntjes en softe beats.

Maar geheel stijlvast is Nite Jewel niet. Misschien bewust van de afgegraasde jaren 80 stapt ze om de zoveel nummers een decennium vooruit en doet zich ineens tegoed aan iets dat lijkt op acid jazz. Daarbij geholpen door DâM-FunK en, uit de oude doos, Prophet. Tegen het einde gooit ze er nog een dubstepnummer tegenaan om de luisteraar bij de les te houden. In essentie is dit tweede album van Nite Jewel een toegankelijke plaat waar weinigen zich aan zullen storen. Dit album is als een decor voor een betoverende zomeravond (balkon, champagne erbij, je geliefde in een stijlvol strapless zwart jurkje of smoking) terwijl Ramona een beetje beteuterd haar seconde van liefde bezingt. Niet revolutionair, maar wel goed gemaakt. File under Cocktailpop.
Bas de Koning
Shearwater - Animal Joy
*****
(Sub pop / Bertus)
Met het zwaar georkestreerde The Golden Archipelago (2010) sloot Jonathan Meiburg aka Shearwater de trilogie af die hij in 2006 met Palo Santo begonnen was. Ondanks positieve recensies bleven commercieel succes en erkenning achter. Dat is jammer, want de emotionele epische indierock van Shearwater schuurde dicht aan tegen het populaire Arcade Fire. Meiburg vertrok daarna bij platenlabel Matador en tekende bij Sub Pop. Met Animal Joy gooit hij het over een andere boeg. De verfijnde symfonische aanpak van de voorgaande trilogie is vervangen door een rocksound die zwaar leunt op bombast en grandeur. Op deze plaat ligt de nadruk op ritme, wat het geheel een opzwepende maar ook een gejaagde indruk geeft.

Intussen galmt Meiburg er flink overheen met een gezwollen stemgeluid alsof hij in de Rotterdamse Kuip staat te zingen. Soms komen er nog vlagen van de oude Shearwater boven water, zoals Open your houses (Basilik) en het gedragen intro van Isolence. Maar ook hier pompt de band zich gedurende het nummer steeds verder op. Shearwater gaat met deze plaat voor het grote gebaar en klinkt zodoende meer als Peter Gabriel dan als Arcade Fire. Dat is niet erg, maar Meiburg offert hiermee wel zijn karakteristieke eigen geluid op. Hij hoopt waarschijnlijk hiermee een doorbraak naar het grote publiek te bereiken. Het is Shearwater gegund. Als het dan toch een keer moet lukken, dan maar met Animal Joy. Beluister twee tracks op hun website .
Bas de Koning
Mungolian Jetset - Schlungs
*****
(Smalltown supersound / Sonic Rendezvous)
Ik was niet echt te spreken over de remix-verzamelaar die het duo Pål "Strangefruit" Nyhus en Knut Sævik oftewel Mungolian Jetset in 2009 maakten. Maar wellicht dat deze tweede eigen plaat met de melige titel Schlungs uitzicht op verbetering biedt. Aan pretenties ontbreekt het niet bij dit Noorse koppel dat zich presenteert als prog-disco band. Ze laten de plaat beginnen met 2011 - A Space Woodysey en gooien vrolijk Also Sprach Zarathustra in de remix. De knipoog naar de soundtrack van de film van Stanley Kubrick ligt er dubbeldik bovenop. Het moet gezegd worden, ik vond de remix verzamelaar destijds nogal een bij elkaar geraapt zooitje. Daar is op deze plaat verbetering in gekomen.

Het spacey thema en psychedelische disco-house worden consequent doorgetrokken. Het tien minuten durende Moon Jocks N Prog Rock zet wat betreft de toon. Disco-beat, wat gesampelde blazers, een soul-achtige zanger erover, vocoder hier en daar en voilá, we hebben een hit? Gelukkig is dat niet zo want anders zou iedereen met een computer een succesvol artiest kunnen worden. De Mungolian Jetset speelt nadrukkelijk leentjebuur bij Basement Jaxx, maar weet op geen enkel moment te pakken zoals dat Britse duo. Maar laat ik niet te streng zijn, er is vooruitgang en het geheel is in ieder geval erg vrolijk. Met voldoende Mack bier achter uw kiezen kan het best gezellig worden. Beluister een voorproefje in de SoundCloud
*****
(Fiction / V2)
Deze band rond zangeres Liela Moss is de afgelopen jaren volledig langs me heen gegaan. Afgaande op de kritieken heb ik niet veel gemist. Het debuut Cuts Across The Land uit 2005 staat genoteerd als een leuke demo en opvolger Neptune als afgeraffeld. Na dik drie jaar sleutelen komt dit Londense quintet nu met een epische rockplaat waarop het grote gebaar niet geschuwd wordt. Eigenlijk zou je kunnen zeggen dat Bruiser een prima plaat is om in te stappen. Een stuwende ritmesectie en ronkende gitaarriffs laten tijden van de alternatieve rock uit de jaren 90 herleven. Beluister alleen al opener Cherry Tree waar de strak drummende Olly 'The Kid' Betts de toon zet en Toby Butler er halverwege gierend met zijn gitaar overheen gaat. Het basgitaargeluid van Marc Sallis geeft het geheel iets zompigs en vuigs.

Vooral de geest van the Smashing Pumpkins is alom aanwezig. In plaats van de snerpende nazale stem van Billy Corgan doen zij het met de goeie rockstrot van Liela. Evenals de Pumpkins voegt The Duke Spirit een flinke dosis psychedelica en pathos aan de mix toe. Aangenaam aan Bruiser is ook dat er regelmatig gas terug wordt genomen om zo wat lucht te geven aan dit toch wel enigszins dichtgespijkerde en volgeproduceerde album. Tekstueel mag er echter nog wel een cursus tegenaan gegooid worden. Het twintig keer herhalen van de titel is wel catchy, maar gaat op een gegeven moment nogal vervelen. Maar het is ze vergeven want Bruiser is zeker een plaat waar je mee voor de dag kunt komen. Beluister Don’t Wait in de SoundCloud.
Bas de Koning
Stereo MCs - Emperors Nightingale
*****
(K7 / V2)
Begonnen als een Britse hiphop-act beleefde de Stereo MCs hun hoogtepunt begin jaren 90 met de hit Connected. Tussen destijds hippe acts als Jesus Jones en EMF viel de band precies op zijn plek en maakte van de weeromstuit de MC-lettercombinatie tot een anachronisme. Immers, de overstap naar een meer dance-georiënteerde sound was toen al gemaakt. Het succes vervloog echter, het trio werd een duo dat voortmodderde met uiteindelijk een middelmatige herhaling van zetten op de plaat Deep Down and Dirty (2001). Dat beloofde weinig goeds voor deze terugkeer en debuut op het indie-label K7. Maar dat valt alles mee. Met een definitieve keuze voor dance is Emperors Nightingale voor het grootste deel een overtuigende plaat geworden.

Frontman Rob Birch kan nog steeds niet zingen, maar met moderne vervormingstechnieken wordt zijn nasale droge stemgeluid in allerlei bochten gewrongen, wat het geheel iets dynamisch geeft zoals op Phase me en Far Out Feeling . Mixer Nick Hallam houdt de plaat op koers met een collectie simpele, recht-voor-zijn-raap beats, hier en daar aangekleed met herkenbare samples zoals het synthloopje uit Eddy Grant’s Electric avenue op Manner. Het geeft de plaats iets cools, opzwepends en euforisch. De plaat doet enorm verlangen naar de tijd dat de Chemical Brothers en Prodigy het geluid bepaalden. Bring It On is met zijn rave-beats een goed voorbeeld van deze retro-sound. Enige vernieuwing komt nog wel van het nummer Boy met Jamie Cullum op piano, al valt het een beetje uit de toon in deze collectie vooral smakelijke staaltjes nostalgie.
*****
(Kitsuné / V2)
Het duo Pierre Leroux en Victor Le Masne is een nieuwe loot aan de boom van de Franse alternatieve danspop. Hoewel, helemaal nieuw ook weer niet omdat beide heren hun sporen al verdiend hebben als sessiemuzikant bij Air en Phoenix. Eerder maakten ze samen ook de onopgemerkte plaat Forty Love. Met producent Philippe Zdar (Cassius) gaan ze nu in de herkansing, waarbij op deze plaat veel zwaarder geleund wordt op synthesizers en minder op gitaar en drums. De single Roman opent nog met een catchy gitaarriff, maar zodra de toetsen invallen is duidelijk waar de nadruk ligt. Het resultaat is echter vlees noch vis en daarom wat onbevredigend. Op de rest van de plaat weten de heren zich echter goed te revancheren met een aantal sterke electro-glam-nummers zoals Apocalypso en Chorus, die zowel catchy als zoet zijn. Vooral het repetitieve Chateau haakt zich als een tintelende verrassing vast in het geheugen van de luisteraar.

Qua productie en geluid zoekt Housse de Racket hiermee aansluiting bij Amerikaanse electro-acts als Fisherspooner en MGMT, zeker op de psychedelische track Ariane, waar de synths gierend ten hemel vliegen. Tegen het einde van de plaat gaat het trucje van up tempo beats, huppelende toetsen en psychedelische bleeps helaas wat vervelen. Het bijna zeven minuten durende Aquarium heeft hieronder bijvoorbeeld te lijden. Alesia heeft zeker een paar hoogtepunten, maar zoals een goede brie moet je er nooit teveel van eten. Lekker, maar met mate.
Bas de Koning
Still Corners - Creatures of an Hour
*****
(Sub pop / Konkurrent)
Zuchtende, ijle en onverstaanbare zang, uitwaaierende synthesizers en gitaren en drums die zo gedempt zijn dat het lijkt alsof de ritmesectie een studioruimte verderop zat. Jawel, het uit Londen afkomstige Still Corners laat de tijden van shoegazing herleven. Met de vocalen van Tessa Murray gaan we terug naar de tijd waarin Mazzy Star en Cranes even populair waren. De single en openingsnummer Cuckoo klinkt veelbelovend en spannend. Een droge drumbeat, spookachtige gitaar en vaag orgel laten Murray’s sopraan een verhaal vertellen waarin zij langzaam gek van liefde wordt “I’d like to read your mind / can you read mine?”.

Maar al bij het tweede nummer ontspoort Still Corners volledig. Wat volgt is een galmende collectie ingetogen nummers die iedere spanningsboog mist. Net als je in slaap dreigt te vallen komt de band nog even sterk terug met de huiveringwekkende murderballad I Wrote In Blood. Ook hier weer dezelfde droge beat en het repeterende orgel. Het nummer zou zo in een aflevering van Derrick of een andere Krimi kunnen. Pijnlijk is alleen dat dit nummer bijna letterlijk een replica is van Cuckoo. Vervolgens dobbert de plaat langzaam richting het einde om uiteindelijk met Submarine te verdwijnen in zijn eigen echoput. Eindconclusie: koop de single. Verder is het een saaie plaat in een genre dat in het verleden al vele, vele malen beter is beoefend. Maar wie de term 'echoput' wel een aanbeveling vindt, kan Creatures Of An Hour in zijn geheel beluisteren in de SoundCloud .
*****
(Labrador / Sonic Rendezvous)
Liefhebbers van Scandinavische electronica hadden misschien in 2009 de EP Humdrum of, eind vorig jaar, Artic Hymn al opgepikt. Zoniet, dan is daar nu een volledige plaat met de titel The Sea Of Memories. Onder het motto ‘Dance music for the lazy, the blazers and for the slightly depressed’ maakt het duo uit het Zweedse Åhus een soort ambient variant op de vrolijke pop van Röykssop. De nadruk ligt meer op de ijzige sfeer met daarover galmende ijle zang dan op de beat. Dat pakt soms goed uit zoals op Another Heaven en de single Artic Hymn, maar soms straalt de muziek niet alleen een introvert karakter, maar ook luiheid uit. Iets meer variatie had net het verschil kunnen maken.

De band geeft aan dat ze juist getracht hebben popinvloeden in de muziek te stoppen, maar die zijn soms ver te zoeken. Het enige echte popnummer is Wicked, waar de zang wordt overgenomen door Elize Zalbo. Een lekker zomernummer, maar wat misplaatst op deze plaat. Juist de soundscape-achtige nummers, zoals Sound Of Silence en slotakkoord Nights, waarin ze het geschipper tussen pop en soundscape lijken los te laten, klinkt Pallers het meest overtuigend. Zweverig, donker en ijzig. Toch is dit debuut drie sterren waard. Er had nog wat geschaafd mogen worden aan Sea Of Memories maar het geheel is stijlvol en met smaak gemaakt. Er is aanmerkelijk slechtere muziek in dit genre. Luister Years Go, Days Pass in de SoundCloud
*****
(Morr Music / De Konkurrent)
Wie IJslandse popmuziek associeert met ingetogen gloomy folk gaat eraan voorbij dat dit eiland ons ook ooit de vrolijke tonen van de Sugarcubes bracht. Dat er midden in de Atlantische Oceaan nog plek is voor hippe electro-pop bewijst het duo Árni Rúnar Hlöðversson en Lóa Hlín Hjálmtýsdóttir oftewel FM Belfast. Oorspronkelijk is de band ontstaan als grapje, wat leidde tot de nogal melige debuutplaat How To Make Friends. Maar intussen begint FM Belfast stabielere vormen aan te nemen. Na twee jaar uitgebreid touren doken de kernleden de studio in met hulp van bevriende bandleden van Múm en Borko. Het resultaat roept vooral associaties op met de Franse electro-acts Yelle en Nôze. Een Beetje kitsch, licht funky beats en gekke vocalen.

American en Vertigo lijken gemaakt voor de festivalweide met catchy refreintjes, knorrende synthesizers en opzwepende blazers. Het is echter niet op ieder nummer feest. Rustiger nummers als Noise en We Fall verbeelden de serene droomlandschappen waarin het ritme ondergeschikt is aan de sfeer. Het ingetogen Winter, met zijn ijzige klank, lijkt de essentie van de IJslandse winter te willen vangen. Maar helemaal geslaagd zijn deze wat serieuzere uitstapjes niet. De kracht van deze act ligt toch op een ander muzikaal vlak, wat bewezen wordt met het hypnotiserende hoogtepunt I Don't Want To Go To Sleep Either, waar ze met een simpele repetitieve beat doen waar ze goed in zijn: zorgen dat je niet wilt slapen maar dansen. Bekijk de clip op YouTube

Bas de Koning
Concertverslag: Portishead
Woensdag 15 juni - Muziekcentrum Vredenburg, Utrecht
Naar een concert van het Britse triphopcombo Portishead ga je niet voor de interactie tussen band en publiek. Verbazing alom dus toen de introverte zangeres Beth Gibbons besloot om na de toegift Roads van het podium af te springen en een rondje door de zaal te lopen. Portishead laveerde deze avond tussen avontuur en retrospectief. Het avontuur kwam voornamelijk van de laatste plaat Third (2008), maar het publiek beviel vooral de crowdpleasers van het debuut Dummy (1994). De rauwe techno-elektronica van de laatste plaat verhield zich echter moeizaam met de jazzy triphop sound van weleer. Zo viel je van het intense The Rip ineens in het soepel groovende Glory Box om daarna weer te switchen naar het duistere Magic Doors. Portishead hinkte deze avond op twee gedachten.

Werd bij de meer recente nummers nog enigszins geïmproviseerd, de oude nummers werden identiek aan de plaatversie uitgevoerd. Geen scratch, beat of gitaaraanslag werd gewijzigd. De vraag drong zich op waarom een band die duidelijk het avontuur niet schuwt er niet voor had gekozen een nieuwe draai te geven aan de oude nummers om zo een veel consistentere set te creëeren. Oude nummers een nieuwe draai geven kunnen ze namelijk wel: Wandering Star kreeg een bijna minimalistische make over. De ijskoude benadering van dit nummer tilde het naar een hoger plan, wat bij andere oude nummers zoals het eerder genoemde Glory Box en Sour Times gemist werd. Ondanks dit punt van kritiek viel er veel te genieten in Vredenbrug. Hunter, Chase The Tear en het repetitieve Machine Gun werden met verve neergezet, begeleid door zwart/wit videokunst. Een van de toegiften was het intense We Carry On. Laten we dat laatste hopen want bands als Portishead zijn dun gezaaid.

*****
(Polyvinyl / Sonic Rendezvous)
Ooit begonnen als het soloproject van Joshua Hodges mag Starfucker zich met deze tweede plaat al een echte band noemen. Met Reptilians schaart de band uit Portland, Oregon, zich in het rijtje van hippe electro-pop combo’s als MGMT, Hot Chip en Vampire Weekend. Met de strak drummende Keil Corcoran en geproduceerd door Jacob Portrait (The Dandy Warhols) doet Starfucker niet voor eerder genoemde bands onder. Singles Julius en Bury Us Alive zijn fris tintelende retro-popliedjes vol zoemende synths, stuiterende beats en door drugs en fuzz vervormde zang. Death as a fetish wordt kort ingeleid door een filosofische verhandeling over de dood als inspiratie voor het leven, waarna de band weer richting het heelal schiet.

Al vrij snel wordt duidelijk dat Starfucker werkt met een vast stramien in het achterhoofd. Zonder nu meteen het label eentonig of space-gazers op Reptilians te plakken moet wel gezegd worden dat de nummers na verloop van tijd allemaal op elkaar beginnen te lijken. Alleen The white of Noon valt uit de toon door juist met een simpele songstructuur te werken waardoor het waarachtig een liedje in plaats van een psychedelische trip wordt. Dit wil echter niet zeggen dat Reptilians een slecht album is of dat Starfucker niet creatief genoeg is om een goed album te maken. Hodges heeft duidelijk een visie. De vraag is alleen of hij in staat zal zijn er meer variatie in aan te brengen. Wat hij nu heeft afgeleverd is een sonische trip dat als album niet zo lang blijft hangen.
*****
(Cooking vinyl / V2)
In 1998 klonk de punky mix van raga, hiphop en breakbeat urgent en hip. Op de plaat Rafi’s revenge gooide de band politiek engagement over de toestand van de Aziatische minderheid in Engeland in de mix en werd samen met medestrijders anarcho-electroband Fun-da-men-tal vaandeldragers van de Asian Underground. Inmiddels leven we ruim 12 jaar later. De wereld is veranderd, maar Asian Dub Foundation blijkbaar niet. Alhoewel de band zelf beweert dat er sprake is van een distinct change omdat er live drums en strijkers gebruikt worden hoor ik het er niet aan af.

Het enige ‘hippe’ aan de plaat is de hoes waar een ADF-versie van een iPhone is uitgebeeld. Natuurlijk staan er vanuit nostalgisch perspectief best wat leuke nummers op de plaat. London to Shanghai, The spirit in the machine en Where has all the money gone knallen er als vanouds in. Maar om je plaat een ‘geschiedenis van nu’ te noemen getuigt van een ongelofelijke zelfoverschatting. Asian Dub Foundation geeft hier namelijk eerder een History of then.
*****
(Surrender All / Bertus)
Het kan verkeren. Begin jaren negentig ontpopte de achttienjarige James Lavelle zich tot de Ivo Watts (platenbaas van het toen toonaangevende label 4AD) van de elektronische downtempo-muziek, oftewel triphop. Met zijn label Mo’ Wax was hij een van de producenten die destijds bepaalde welke sound cool was. Naast producties van anderen bracht hij zelf ook 12”-singles uit. Eerst onder zijn eigen naam, maar in 1994 onder de naam UNKLE. De eerste E.P. The Time Has Come, gemaakt met het Japanse hiphop-combo Major Force, was een eerste vingeroefening. Het was de samenwerking met labelgenoot DJ Shadow die de definitieve blauwdruk vormde voor UNKLE. Dubby breakbeats, elektronica, psychedelica en vooral (beroemde) gastvocalisten zouden het handelsmerk vormen. Zo stonden op de eerste plaat Psyence Fiction (1998) al Richard Ashcroft en Thom Yorke achter de microfoon. Om de vergelijking met Ivo Watts aan te houden zou je kunnen zeggen dat Lavelle met UNKLE zijn eigen This Mortal Coil-project wilde maken. Dat hij daarbij echter vergat om met strakke hand te produceren, werd op de debuutplaat nog gemaskeerd door de getalenteerde Shadow. De opvolgers Never Never Land en War Stories maakten echter pijnlijk duidelijk dat Lavelle zijn visie op het geheel volledig kwijt was. Dat resulteerde in twee rommelige producties die het moesten hebben van beroemde gasten, waaronder Ian Astbury, Josh Homme, Robert del Naja, Brian Eno en Ian Brown. Het waren meer veredelde compilaties dan coherente projecten. Samen met co-producer Richard File werd er geëxperimenteerd met rockinvloeden, met maar middelmatig resultaat.

Met dit in gedachten verwachte ik dat Where Did The Night Fall de laatste oprisping van een voormalig talent zou zijn. Dat valt echter alles mee. Na een kort intro is Follow Me Down meteen een pakkende electro-rocktrack met vocalen van de onbekende zangeres Sleepy Sun. Minpunt is wel zij wel erg de capriolen van de IJslandse Björk nadoet. Aan de andere kant is het lang geleden dat die laatste met een dergelijk fijne song op de proppen kwam. Lavelle weet dit niveau grotendeels vast te houden.

Op Where Did The Night Fall gebruikt hij elementen uit triphop, rock en Britpop maar hij laat geen van de drie genres overheersen. De vocalisten zijn dit keer nagenoeg onbekende artiesten die ondergeschikt zijn aan de centrale productie in plaats van andersom. Voor nummers als The Answer, Joy Factory, Caged Bird, Runaway en Ever Rest zou menig producent en artiest zich niet hoeven te schamen. Er zijn ook mindere nummers, waarvan meest opvallend de bijdrage met de enige bekende gast: Mark Lanegan. Hij geeft de plaat toch een wat mager einde. Dat is jammer want met het vertrek van Richard File lijkt Lavelle eindelijk zijn eigen signatuur op UNKLE heeft durven drukken. Met Where Did The Night Fall heeft Lavelle zich verlost van het juk van de monsterprojecten en zich gericht op het leveren van gewoon een goede plaat.
Bas de Koning
Mungolian Jet Set - We Gave It All Away... Now We Are Taking It Back
*****
(Smalltown supersound / De Konkurrent)
Het Noorse duo Pål "Strangefruit" Nyhus en Knut Sævik oftewel Mungolian Jetset zijn eigenlijk DJ’s. Los van hun vaste Space-jazz clubnights in Oslo zijn ze ook actief als remixer. Tijd dus voor een overzicht met als toepasselijke titel We gave it all away…now we are taking it back. In de bio staat dat beide heren internationaal veel gevraagde remixers zijn. Als dat zo is komt dat niet heel duidelijk naar voren. Hans-Peter Lindstrøm, Nils Petter Molvaer en Mari Boine zijn misschien wel internationale sterren maar toch echt van Noorse komaf. En van zowel Molvaer als Boine zijn al talloze remixen verschenen. En eerlijk gezegd veel betere. Het wordt halverwege de cd toch wel pijnlijk duidelijk dat Mungolian Jetset misschien goede plaatjesdraaiers en praatjesmakers zijn, maar niet echt geweldige muzikanten. En dan hebben we het nog niet eens over de slappe Parliament-funk die ze maken van Bob Marley’s Could you be loved. Blijkbaar geremixed voor Pizzy Yelliot. De tracks zijn ook keurig netjes aan elkaar gemixed zodat je thuis je eigen feestje kunt bouwen. Ik heb het geprobeerd, maar echt feestelijk wil het niet worden. File under dreutelhouse.
Bas de Koning
Omar Rodríguez-López - Xenophanes
*****
(Rodriguez Lopez / De Konkurrent)
Omar Rodríguez-López is een man van zijn woord. Belooft hij begin 2009 dat hij dit jaar drie albums uit zal brengen, dan doet hij dat dus ook. Nu waren de platen Megaritual en Despair bij elkaar gefröbelde kliekjes van een experimentele sessie in Amsterdam uit 2005. Op deze manier werd het wel heel makkelijk om het beloofde quotum te halen. Hoe anders is dat met Xenophanes. De openingstonen bij Azoemia geven nog even het gevoel dat het weer een hoop piep-knor wordt, maar dan barst de band met volle kracht los. Jawel, een band! Waren de eerste twee platen bijna soloprojecten, op Xenophanes laat Omar zich bijstaan door Juan Alderete de la Peña, Thomas Pridgen en Marcel Rodriguez-Lopez. Inderdaad het volledige Mars Volta-team, exclusief zanger Cedric Bixler-Zavala. En dat is te horen want voor dit project wordt alles uit de kast getrokken. Met nummers als Ojo al Cristo de Plata (Beware Of The Silver Christ), Sangrando Detrás de los Ojos (Bleeding From Behind The Eyes) en Asco Que Conmueve los Puntos Erógenos (Sickness Moving The Erogenous Areas) wordt duidelijk gemaakt waarom zij de koning van de experimentele prog-rock zijn. Was de kritiek op de laatste Mars Volta plaat Octahedron (die ook dit jaar uitkwam) dat deze veel te mellow klonk, dat kan van deze plaat niet gezegd worden. De tempowisselingen en gierende gitaren buitelen over elkaar heen. Anders aan Mars Volta is ook dat de plaat volledig in het Spaans gezongen wordt, de moedertaal van Rodríguez-López (geboren in Puerto Rico). Met Xenophanes lost Omar Rodríguez-López niet alleen zijn belofte in, hij maakt het ook nog goed door het lekkerste voor het laatst te bewaren. En er zit nog een toegift aan te komen met de live-plaat Los Sueños de un Hígado. Een BBC-sessie in dezelfde bezetting die op 1 december gelimiteerd op LP zal uitkomen. Vergeet en vergeef de voorgaande platen, Xenophanes is en enige echte.
Bas de Koning
Bliss - No One Built This Moment
*****
(Music For Dreams/PIAS)
Bliss mag dan op een Deens label en onder Deense productie uitgebracht zijn (Steffan Aaskoven en Marc-George Andersen tekenden voor mix en arrangementen), toch is Bliss zo Brits als het maar zijn kan. Ooit in 1986 begonnen als duo van zangeres Rachel Morrison en bassist Paul Raphes is alleen de eerste nog over van deze originele bezetting. No One Built This Moment is de eerste plaat die zij alleen moet trekken na de come-back plaat Spirit Of Man uit 2007, waar Raphes overigens nog wel aan bij gedragen had.

Tijd dus om een blik beroemde vrienden open te trekken. Op No one built this moment zijn onder andere Ane Brun, Sophie Baker (van Zero 7) en Boy George van de partij. Dat is geen verspilde moeite geweest. Alhoewel mooi gearrangeerd is de muziek van Bliss behoorlijk eentonig. De mix tussen akoestische instrumenten en triphopachtige elektronica had spannend kunnen zijn, maar helaas is de plaat daar niet in geslaagd. Dat leverde onder andere een draak als Overture op, met mislukt klassiek-achtig gezang. Een instrumentaaltje als Stop me zou zo op een nieuwe Spirits of Nature-compilatie kunnen. De trieste conclusie is dat Bliss maar met moeite de boog gespannen kan houden. Nog duidelijker wordt dat wanneer de single American Heart, het duet met Boy George, zich halverwege de plaat aandient en je als luisteraar ineens opveert. En dat zelfs terwijl de stem van George niet meer de magie heeft die hij vroeger had. Bliss levert een beetje ingedutte plaat af in een genre dat sowieso te lijden heeft onder navelstaarderij.
Bas de Koning
Sophia - There Are No Goodbyes
*****
(Flower Shop Recordings/PIAS)
Laat het maar aan Robin Proper-Sheppard over om je vrolijke zomergevoel eens lekker naar beneden te halen. Hoewel, vergeleken met voorganger Technology Won't Save Us is There Are No Goodbyes nog een behoorlijk gevarieerde en uptempo plaat geworden. De thema’s zijn gelukkig wel weer hetzelfde: spijt, verdriet en gebroken harten. Ook op deze vijfde cd wordt er weer veelvuldig aan zelfreflectie gedaan. Op track twee, A Last Dance (To Sad Eyes), vraagt Proper-Sheppard zich al af: 'Baby, where did we go wrong?', om vervolgens een plaat lang op zoek te gaan naar het antwoord. Dat tweede nummer zet de luisteraar trouwens wel even op het verkeerde been. Met zijn uptempo ritme, en rinkelend gitaarspel had het zo op een plaat van Echo & the Bunnymen gestaan kunnen hebben. Ook Storm Clouds en Obvious zijn bijna poppy liedjes met breed uitwaaierende gitaarpartijen.

Gelukkig tapt hij op nummers als Leaving en Dreaming uit het gebruikelijke melancholische vaatje. De eerder genoemde zelfreflectie speelt een hoofdrol op Something, een duet met Astrid Williamson. Uit pure zelfkastijding zingt Proper-Sheppard: 'Sometimes I feel so stupid / And ugly / And I wonder how / You can love me.' Astrid probeert hem nog een beetje op te beuren met 'You're a dreamer / I can see the light there.' Niet dat het helpt, maar het levert wel het hoogtepunt van de plaat op. Handelsmerk van Sophia is ook het veelvuldige gebruik van strijkers, ditmaal wederom gearrangeerd Calina de la Mare. Vooral op Heartache en Portugal geven de strijkers een extra toegevoegde waarde en tillen ze de muziek naar een hoger plan. Subtiel begeleiden ze Robin’s slotzucht: 'It’s never too late to change.' Maar change is waarschijnlijk niet waar de fans van Sophia op zitten te wachten. Die hopen dat hij nog jaren dit soort prachtplaten blijft afleveren.
*****
(Pompeii/De Konkurrent)
Het wachten op de derde plaat van Zachary Francis Condon, alias Beirut, wordt nog niet helemaal ingelost. Toch is March of the Zapotec meer een mini-album dan een ep. Wat deze ep vooral interessant maakt is dat Beirut zijn inspiratiebron van de Balkan verlegt naar het Mexicaanse Oaxaca. Was de Oost-Europese zigeunermuziek op de cd’s Gulag Orkestar en de Flying Club Cup nog ruim aanwezig, op deze ep slaat Condon met de Jimenez Band (een negentienkoppige band uit Teotitlán del Valle) nieuwe wegen in. Ook de thema’s van de liedjes verschuiven naar de Mexicaanse folklore. Zo handelt La Llorona over een moeder die haar kinderen heeft vermoord en vervolgens ’s nachts vol berouw huilend naar ze op zoek gaat. Wat echter muzikaal op deze ep nog het meeste opvalt is dat, alhoewel het geheel Mexicaans aandoet, er een link valt te ontdekken met de Europese muziekstijlen. De blazers, de dramatische tempowisselingen, de potten- en pannenpercussie, ze klinken bekend en toch ook weer niet.

Om aan te tonen dat Condon echt niet stil kan zitten heeft hij als bonus nog een cd met huisvlijt aan dit project toegevoegd. Holland. Onder de naam Realpeople ging hij elektronisch aan de slag en verbouwde eigen nummers als Venice en My Night With The Prostitute From Marseille. Beirut is een muzikale en hoogst originele duizendpoot, maar volgende keer horen wij toch liever weer een gewone plaat.